Hoe zit het Esperanto in elkaar?

feitjes en filosofietjes

Dit document is in ontwikkeling. Het maakt geenszins aanspraak op volledigheid.
Versie: 15 oktober 2001. Alle rechten voorbehouden. (C) 2001 Wouter F. Pilger
Alleen voor eigen studie is het maken van één afdruk toegestaan.
Verwijzing naar deze pagina (www.geocities.com/wfpilger/hoezit.htm) is welkom.
Wilt u a.u.b. de enquête invullen?
Bonvolu respondi la enketon!
  
Op deze pagina zijn de accentletters van het Esperanto aangegeven d.m.v. een transcriptie:
ch gh hh jh sh ù CH GH HH JH SH Ù = ^c ^g ^h ^j ^s ~u
Wanneer u een moderne browser heeft, kunt u de versie volgens Unicode proberen, of de versie in Latin-3.


[ Verdere informatie, o.a. in het NL, over Esperanto en -organisaties: www.esperanto.net ]
incl. online woordenboeken (o.a. NL-EO-NL) en uitspraakvoorbeelden

Ik wil een indruk geven van "hoe het Esperanto in elkaar zit", zonder les te geven, zonder al te theoretisch te worden. Het moet geen cursus-Esperanto worden... maar wel voldoende informatie geven voor wie Esperanto wil kunnen lezen met behulp van een woordenboek of woordenlijst.

Ik zal dus geen of weinig aandacht besteden aan dingen in het Esperanto die, volgens mij, voor Nederlandstaligen (en vele anderen) geen problemen opleveren. Eigenlijk geldt ook voor een groot deel van dit verhaal, dat de toelichting niet echt onmisbaar is voor wie een Esperanto-tekst ontcijfert met behulp van een woordenlijst. Maar, omdat ik zelf graag lees en hoor over hoe verschillende talen functioneren, hoop ik, dat een aantal lezers mijn verhaal toch met plezier zullen lezen.

Ik wil soms wel erbij vertellen, waarom het (volgens mij) goed of handig is, dat het Esperanto in elkaar zit, zoals het in elkaar zit...

Ik probeer het zo te doen, dat de lezer gewoon kan lezen en de tekst niet hoeft te bestuderen. Daarvoor is een nogal uitvoerige vertelstijl nodig, met wat herhalingen, toelichtingen en opmerkingen "terzijde". Wanneer het een leerboek zou zijn, zou er met minder woorden kunnen worden volstaan. Ik hoop dat de tekst prettig leesbaar blijft.


Wie iets wil lezen over het ontstaan van het Esperanto en de ontwikkeling ervan, kan hier terecht.


idfino2a.gif
vijf Esperanto-sprekenden: vijf landen, vier werelddelen

' ' Zou dat niet anders of beter kunnen? ' '
Steeds weer zijn er mensen die niet of nauwelijks Esperanto kennen, die zich afvragen, of sommige dingen in de taal niet beter anders zouden kunnen zijn. Vaak, omdat zij ervan overtuigd zijn, dat bepaalde dingen (grammatica, zinsbouw, woordvorming) in hun eigen taal "beter zijn geregeld". Sprekers van andere talen hebben daar weer heel andere ideeën over...
Daarom vind ik het nodig, het volgende vast te stellen:
Het Esperanto is al lang geen "project" meer, waaraan gesleuteld kan worden.
Het is een bestaande taal met een paar miljoen sprekers (van kleuters tot nobelprijswinnaars, in meer dan 150 landen), een taal met honderden tijdschriften en bibliotheken vol boeken, met dichters, schrijvers, toneelgezelschappen, cabaretiers en popgroepen -- een taal, waaraan evenmin gesleuteld kan worden als aan andere talen.

De enige manier waarop Esperanto verandert, is die welke voor elke andere taal geldt:
Wanneer schrijvers, sprekers of artiesten nieuwe woorden of uitdrukkingen gebruiken, die "aanslaan" bij anderen, dan kan zo 'n woord of uitdrukking algemeen worden. Ook kunnen woorden of uitdrukkingen ouderwets worden of in onbruik geraken. Zoals in het Nederlands (maar minder snel). Aan de structuur van de taal kan, net als bij het Nederlands, niet worden getornd door personen of commissies. Wie dat probeert, maakt zich belachelijk. Net als iemand die zou voorstellen, de Nederlandse grammatica, zinsbouw of woordvorming te "verbeteren"...

[ uitspraak / spelling ]
[ telwoorden ] . [ voorzetsels ]
[ -o -oj ] . [ -a -aj ] . [ -e ]
[ -i -as -is -os -us -u ] . [ -n ] . [ -igh- -ig-]
[ mi vi li shi ghi ni ili oni ] . [ si ]
[ woordvorming ] . [ vraagzinnen ]
* * *
[ inhoud wfpilger ]


opmerking vooraf: Zoek niet naar de uitzonderingen op de regels -- die zijn er niet.


De spelling -- en dus de uitspraak

Bij veel talen is de spelling een probleem. Je leert een woord "van horen zeggen", maar dan weet je nog niet, hoe het geschreven wordt. Je leert een woord "op papier", maar dan ben je er vaak niet zeker van, hoe het uitgesproken wordt. Voor het Nederlands moet je leren, wanneer je "hete", "heette", "heten" of "heetten" schrijft, als je "hee-tuh" hoort. Je moet leren, dat "gevangenis" niet als "gee-van-gee-nus" wordt uitgesproken. We hebben in het Nederlands nu eenmaal veel meer klanken dan de 26 of 27 (+ij) letters van ons alfabet.
Er zijn talen, waar dat anders ligt. Waar spelling en uitspraak (bijna) een-op-een overeenkomen. In het Spaans, bijvoorbeeld, maar ook in het Tsjechisch, Hongaars, en flink wat Afrikaanse en Aziatische talen.
Toch hebben ook die talen vaak meer klanken dan letters. Dan zijn er twee mogelijkheden: je gebruikt vaste lettercombinaties voor bepaalde klanken, of je maakt wat extra letters. Bij lettercombinaties krijg je het probleem, dat die combinaties ook "toevallig" kunnen voorkomen, wanneer die klank niet wordt bedoeld. Nederlands: "ingang" is niet ing-ang, maar in-gang.
Bij het Esperanto is gekozen voor extra letters. Zoals bij de meeste talen die met Latijnse letters worden geschreven, worden die extra letters gemaakt door middel van een accent. In het Esperanto wordt een circonflex of "dakje" (^) boven c g h j s gezet om een andere klank weer te geven en een boogje (U) (een "breve" uit het Latijn) boven de u (in aù en eù) om aan te geven, dat die u niet de (lettergreep vormende) klinker u /oe/ is, maar bij de voorafgaande klinker hoort.

Het (gewilde) resultaat is, dat elke klank (elk "foneem") steeds door dezelfde letter wordt aangegeven en elke letter steeds dezelfde klank voorstelt. Probeer dan ook dezelfde letter in verschillende posities, zoveel mogelijk hetzelfde uit te spreken. Een "d" aan het eind van een woord klink dus niet als een "t"... En een "e" klinkt overal in een woord in principe hetzelfde. (Soms zul je hem iets langer aanhouden dan op andere plekken, maar dat gaat vanzelf -- en maakt geen verschil in betekenis.)

Nu is er een probleem. Ik kan op mijn scherm de juiste Esperanto-letters zien. Met dakjes en boogje (volgens "Latin3" oftewel de Internationale Norm ISO-8859-3 -- of volgens Unicode = UTF-8), die door bijna elke moderne browser goed worden weergegeven. U misschien niet. Honderd jaar geleden bestond dat probleem ook. Nauwelijks bij drukwerk (want loden letters waren gemakkelijk bij te maken), maar bij telegrammen, bijvoorbeeld. Toen is bepaald dat, wanneer de accenten niet kunnen worden afgebeeld, er voor een circonflex een h wordt toegevoegd en voor het boogje boven de u niets in de plaats komt. (Om technische redenen gebruiken nogal wat Esperanto-gebruikers in computerteksten een andere oplossing, bijvoorbeeld een x voor zowel dakje als boogje, maar dat zien we later.)
Ik schrijf in de voorbeelden dus "ch" voor c-met-dakje. Voor de duidelijkheid schrijf ik hier "aù" en "eù"* terwijl er eigenlijk een boogje boven de u hoort. Wanneer echt c+h en a+u wordt bedoeld, geef ik dat aan.
[* Nederlanders en Vlamingen zien die ù meestal, zoals bedoeld, als u-grave op hun scherm. Polen, Tsjechen, Turken, Grieken, Russen, Koreanen, Japanners e.a. meestal niet, omdat in hun "Latijnse font" die code voor een ander teken wordt gebruikt. Voor een internationaal publiek is die ù dus niet geschikt als vervanging voor u-boogje.]


Het alfabet

[PLAATJE ESPERANTO-ALFABET]

a b c ch d e f g gh h hh i j jh k l m n o p r s sh t u ù v z
(met de ù wordt u-boogje bedoeld)

De letters q w x y komen niet voor. In veel talen geven die letters klanken aan, die in het Esperanto al door andere letters kunnen worden aangeduid: qu(kv,ku), w(v,ù), x(ks,kz), y(i,j). Er hadden aan deze letters andere waarden gegeven kunnen worden, maar dat is niet gebeurd. Waarschijnlijk om geen verwarring te stichten, maar ook omdat deze letters in veel talen gewoon niet gebruikt worden (q x y zijn ook in het Nederlands niet echt gewoon en zeker niet noodzakelijk).
Op de keuze voor de extra letters (met circonflex of h) kom ik zo dadelijk terug.

Gebruik bij het met de hand schrijven het liefst blokletters (drukletters).
"Lopend Latijns schrift" is internationaal erg verschillend.
Schrijf in ieder geval de hoofdletters als blokletters.
Wat voor de één een J is, is voor de ander een I, een T of een S!
(Gebruik in handschrift natuurlijk wel de dakjes...)


De klinkers:

Wanneer er in een taal veel klinker-klanken zijn (zoals meer dan 20 in het Nederlands en het Engels), moeten de grenzen van elke klinker heel precies worden aangehouden, opdat men niet een andere klinker hoort dan die, welke de spreker bedoelde.
Wanneer er in een taal weinig klinkers zijn (zoals slechts 5 in het Spaans, het Kroatisch, het Japans en... Esperanto), zijn de grenzen van de klinkers veel ruimer. Met andere woorden: men kan een "a" uitspreken met meerdere verschillende klanken, zonder dat de luisteraar er last van heeft.
In feite zijn de sprekers van zo een taal zich nauwelijks bewust, dat het "verschillende a's" betreft. Voor hen behoren al die klanken tot hetzelfde foneem "a". Zelfs als diezelfde klanken voor een Nederlander of een Engelsman "heel verschillende klinkers" zouden zijn.
Voor de luisteraar is het vooral van belang, dat een "a" niet te veel op een "e" of een "o" lijkt, dat een "e" niet te veel op een "i" lijkt, dat een "o" niet te veel op een "oe" lijkt, enz. In de praktijk zijn de grenzen van die fonemen dus nogal ruim.
Dat betekent niet, dat er geen uitspraakmodellen kunnen bestaan, die volgens sprekers van die taal mooier zijn dan andere.

[ zI:r el@mEn'tE:r ] [ trE ElE'mEntE ] In het Nederlandse "zeer elementair" zitten 5 e-klanken, allemaal verschillend!
In "tre elemente" (wat hetzelfde betekent) zitten 5 e's, allemaal hetzelfde!

a -- er is een a, zoals in het Spaans, het Pools, het Japans en vele andere talen. Sprekers van die talen maken zich er niet druk over, of de a soms als in "lat" of als in "laat" klinkt. In het Nederlands hebben we ook zulke a's: de eerste a in "banaan", "Amerika", "Latijn" -- is de uitspraak "ban-naan" of "baa-naan", "Am-mee-rie-kaa" of "Aa-mee-rie-kaa", "Lat-tijn" of "Laa-tijn"? De a in het Esperanto wordt dus uitgesproken als in "balalaika". Hoe de a's in "balalaika" worden uitgesproken? Het zal iedereen die een a in z'n taal heeft, een zorg zijn. Als het maar geen "ao" of "ae" is, want dan kun je hem verstaan als "o" of "e".
Probeer de a's gelijk te houden in:
abstrakta = abstract
baraktanta = worstelend
kamparana = plattelands
malafabla = onaardig
transpasanta = overstekend
praarbara = van het oerwoud (pra-ar...)

e -- er is een e, zoals in het Spaans, enz... Meestal klinkt de e meer als in "bed" dan als in "beet", want die "ee" lijkt al gauw teveel op een "i". Maar maak hem niet te kort en afgebeten. (De ai in "militair" is vaak precies goed...) Hij klinkt nooit als de e in "de".
Probeer de e's gelijk te houden in:
elemente = elementair
elekteme = kieskeurig
ekspresletere = per expresbrief
nekredeble = ongelooflijk
sendepende = onafhankelijk
merkredvespere = 's woensdagavonds
neeble = onmogelijk (ne-e..)

i -- klinkt als "ie" in het Nederlands. De i in "zit" is niet internationaal genoeg en lijkt teveel op een e.
Probeer de i's /ie/ gelijk te houden in:
disdividi = uitdelen
indignigi = verontwaardigen ("g" als "zachte k" als in "goal")
mistifiki = voor de mal houden
ridindigi = belachelijk maken
pliigi = vermeerderen (pli-i...)

o -- hetzelfde verhaal. Er is een o. Hij lijkt meestal meer op de o in "pot" dan de oo in "poot". Maar maak hem niet te kort (wat tijdsduur betreft, want het Nederlandse klank-verschil tussen "korte" en "lange" klinkers bestaat niet in het Esperanto). (De oo in "voor" is vaak precies goed...)
Probeer de o's gelijk te houden in:
postkontrolo = na-controle
kodovorto = codewoord
kolorfoto = kleurenfoto
noktorobo = nachtjapon
pordohoko = deurhaak
zoologo = dierkundige (zo-o...)

u -- klinkt als "oe" in het Nederlands. Een veel meer internationale klank dan "uu".
Probeer de u's /oe/ gelijk te houden in:
gustumu! = proef!
kunludu! = speel mee!
plustudu! = studeer verder!
murmuru! = mompel!
kungluu! = plak aan elkaar! (...u-u)

Dus de a van "papier" of "Latijn", de e van "vet", "ver" of "fair", de i van "prima" of "machine", de o van "dot", "dor" of "door" en de u als oe in "doet" of "voeren". Meer klinkers zijn er niet. Een duidelijk onderscheid maken is dus niet zo moeilijk.

Geheugensteuntje:
Misschien hebt u op een station of een vliegveld wel eens iets gehoord als:

attentie! oproep voor de heer/mevrouw .....
In "attentie! oproep!" vindt u de vijf Esperanto-klinkers terug. (Alleen wordt de ie-klank als "i" en de oe-klank als "u" geschreven.)
(Overigens: zegt u "aa-tentie" of "at-tentie"? -- het maakt niet uit...)


tweeklanken

Echte tweeklanken bestaan in het Esperanto niet. Maar sommige combinaties van klinker+medeklinker klinken als Nederlandse tweeklanken...

aj ongeveer als "aai" (maar met een Esperanto-a)
ej als "ei" of "ij"
oj een beetje als "ooi", maar met een Esperanto-o (dus als in "hoi!")
uj als "oei"

(met boogje boven de u) als "au!" (met een Esperanto-a)
(met boogje) niet als "eeuw", maar met een Esperanto-e
(je zou kunnen zeggen, dat de u-boogje wordt uitgesproken als een Engelse w)

ai = a+ie; ei = e+ie; oi = o+ie; ui = oe+ie
au (zonder boogje) = a+oe; eu (zonder boogje) = e+oe

In het Esperanto is het belangrijk, een verschil te maken tussen de medeklinkers "j" en "ù" en de klinkers "i" en "u", want: een klinker maakt een lettergreep -- elke klinker maakt een lettergreep, dus:
fojno (=hooi) heeft twee lettergrepen: foj-no
foiro (=markt) heeft drie lettergrepen: fo-i-ro
mjelo (=ruggemerg) heeft twee lettergrepen: mje-lo
mielo (=honing) heeft drie lettergrepen: mi-e-lo
baldaù (met boogje) (=spoedig) heeft er twee: bal-daù
balau (zonder boogje) (=veeg!) heeft er drie: ba-la-u


De klemtoon

De klemtoon ligt op de voorlaatste lettergreep (als er meer dan een is). Altijd. Iedere klinker (a e i o u) vormt een lettergreep.

Dus:
fojno (=hooi) met de klemtoon op foj /foj-no/
foiro (=markt) met de klemtoon op i /fo-ie-ro/
mjelo (=ruggemerg) met de klemtoon op mje /mje-lo/
mielo (=honing) met de klemtoon op e /mie-e-lo/
baldaù (met boogje) (=spoedig) met de klemtoon op bal /bal-dauw/
balau (zonder boogje) (=veeg!) met de klemtoon op la /ba-la-oe/
radio (=radio) met de klemtoon op de i /ra-die-o/
fiera (=fier, trots) /fie-e-ra/ met de klemtoon op de e
ree (=opnieuw) dus als /re-e/ met de klemtoon op de eerste e (twee Esperanto-e-klanken!)

(In gedichten en liederen wordt de eind-o en de a van "la" soms vervangen door een apostrof -- zoals in het Nederlands in:
"Er is een Kindje geboren op d'Aard'...".
De klemtoon blijft dan, waar hij was zonder apostrof:
"Infan' naskighis por savo de l' Ter'..." -
dus: / ien-fan nas-kie-dzjies por sa-vo del ter /.)


De medeklinkers (eerst die zonder circonflex oftewel "dakje")

b -- altijd als "b", nooit als "p"
c -- als "ts" in "tseetsee-vlieg", "fiets": een klank, zoals de Duitse "z" (oefen door "fie-tsen" te zeggen, i.p.v. "fiet-sen")
d -- altijd als "d", nooit als "t"
f -- als "f"
g -- als "een zachte k", zoals in "goal", het Engelse "good", het Duitse "gut", het Franse "goute"
h -- als "h" (als het geen vervanging voor een dakje is)
j -- als "j"
k -- als "k"
l -- als "l"
m -- als "m"
n -- als "n", dus ng = n+g (wel een Esperanto-g!)
p -- als "p"
r -- als "r" (ook in het Esperanto hoort men verschillende r-klanken, maar laat het geen j of w worden, want dan verstaat men u verkeerd -- een iets rollende r wordt het mooist en duidelijkst gevonden)
s -- als "s", nooit als "z"
t -- als "t" (niet als "ts" of "s" zoals in "politie")
ù (u-boogje) -- als "Engelse w", komt behalve in en soms ook apart in namen e.d. voor.
v -- als een hele mooie (Engelse, Franse of Vlaamse) v-klank, maar een (Hollandse) w-klank doet het prima. Liever geen Hollandse "v" (die lijkt teveel op een f, als het al geen f is), geen Vlaamse of Surinaamse "w" (die lijkt teveel op een u met of zonder boogje). Nooit als "f".
z -- als "z", nooit als "s"

Tot nu toe: voor c en g een beetje oefenen, voor sommige andere (b d v z) een beetje opletten, maar verder weinig nieuws voor Nederlandstaligen.


De dakjesletters

Hier komen we in het Nederlands met de omschrijving een beetje in de problemen, want ook met echt-Nederlandse letters zijn sommige moeilijk weer te geven... Hoewel we in het Nederlands wel woorden met die klanken gebruiken.

ch (c met dakje) -- als "tsj" in "hatsjoe!", "Tsjechisch", "tsjoeke-tsjoeke". Het is een klank, zoals voor Engelsen de ch in "church" en voor Spaanssprekenden en stijldansers de ch in "chachacha". (Oefen door "haa....tsjoe!" of "tsja-tsja-tsja" te zeggen.)

gh (g met dakje) -- als "dzj" -- de "g" in "gentleman", de "dg" in "bridge", de "J" in "John", "James" en "Jakarta". Het is een klank -- de stemhebbende tegenhanger van ch, zoals d de stemhebbende tegenhanger van t is. Dus ook altijd stemhebbend uitspreken.

hh (h met dakje) -- als "ch" in "echo" (hij wordt in het Esperanto nagenoeg alleen gebruikt voor het weergeven van (plaats)namen en wetenschappelijke termen, hoewel juist ook in de woorden ehho (=echo) en hhaoso (=chaos)... Sommige niet-Nederlandstaligen moeten dus ook wat oefenen (hoewel die "typisch Hollandse ch" in een heleboel talen bestaat).

jh (j met dakje) -- als "zj" -- de "j" in "journalist" en "jury", de "g" in "etage". Een klank dus. De stemhebbende tegenhanger van:

sh (s met dakje) -- als "sj" in "sjaal", "sjofel", "sjoelen"; als "ch" in "chef" en "machine"; als "sh" in "shampoo" en "sherry".

Het gaat hier dus om klanken, die in veel talen wel voorkomen, maar eigenlijk niet goed geschreven kunnen worden met de gebruikelijke letters ("tsj", "dzj"...). Andere talen gebruiken juist voor deze klanken hetzij lettercombinaties, hetzij letters met accenten. In het Esperanto is gekozen voor accenten. (Maar die worden hier weer met lettercombinaties weergegeven...)


De dakjes-letters zijn soms technisch wat lastig. Maar ze zijn essentieel voor het parallel lopen van spelling en uitspraak. Voor technische probleempjes bestaan er praktische oplossingen.
Wie de dakjes-letters van het Esperanto wil afschaffen, kan beter eerst proberen, de accenten in het Frans af te laten schaffen (die hebben nauwelijks enig praktisch nut) -- of in het Nederlands de "ij" door "ei", de "ou" door "au" en de "ch" door "g" te laten vervangen...

Hoe zeg je het Esperanto-alfabet op?
a - bo - co - cho - do - e - fo
go - gho - ho - hho - i - jo - jho
ko - lo - mo - no - o - po - ro
so - sho - to - u - ùo - vo - zo
/a/ - /bo/ - /tso/ - /tsjo/ - /do/ - /e/ - /fo/
/Go/ - /dzjo/ - /ho/ - /cho/ - /ie/ - /jo/ - /zjo/
/ko/ - /lo/ - /mo/ - /no/ - /o/ - /po/ - /ro/
/so/ - /sjo/ - /to/ - /oe/ - /Wo/ - /vo/ - /zo/
O ja... "q" heet "kuo" /koe-o/, "w" heet "duobla vo" of "vavo" /va-vo/, "x" heet "ikso" /iek-so/ en "y" heet "ipsilono" /iep-sie-lo-no/, voor het geval dat u die letters moet spellen.


Voorbeelden (spelling/uitspraak)

banano (=banaan) /ba-na-no/ -- maar ook:
sub (=onder) /soeb/ (niet /soep/)
centimetro (=centimeter) /tsen-tie-me-tro/ (niet /ee/)
emocio (=emotie) /e-mo-tsie-o/ (niet /ee/ /oo/)
chokolado (=chocolade) /tsjo-ko-la-do/ (niet /oo/)
sorchi (=(be)toveren) /sor-tsjie/
dusho (=douche) /doe-sjo/ -- maar ook:
sed (=maar, echter) /sed/ (niet /set/ of /zed/ of /zet/)
foto (=foto) /fo-to/ (niet /oo/)
garantii (=garanderen) /Ga-ran-tie-ie/ (met een "zachte k")
tago (=dag) /ta-Go/ (met een "zachte k")
etagho (=etage) /e-ta-dzjo/ (dzj als in "bridge", "Jakarta")
ghelo (=jel, gelei) /dzje-lo/ (niet /ee/)
haveno (=haven) /ha-ve-no/, /ha-we-no/ (niet /ee/ /oo/)
ehho (=echo) /e-cho/ (niet /ee/ /oo/)
hhaoso (=chaos) /cha-o-so/
jaro (=jaar) /ja-ro/
kaj (=en) /kaj/
jhurnalisto (=journalist) /zjoer-na-lies-to/
kritiko (=kritiek) /krie-tie-ko/
labori (=werken) /la-bo-rie/
milimetro (=millimeter) /mie-lie-me-tro/
dum (=tijdens, terwijl) /doem/
naturo (=natuur) /na-toe-ro/
sen (=zonder) /sen/
pushi (=duwen) /poe-sjie/
radio (=radio) /ra-die-o/ (klemtoon!)
per (=d.m.v.) /per/
sistemo (=systeem) /sie-ste-mo/
kisi (=kussen, zoenen) /kie-sie/ (niet /z/)
shoforo (=chauffeur) /sjo-fo-ro/
kashi (=verbergen) /ka-sjie/
telefoni (=telefoneren) /te-le-fo-nie/
vagono (=wagon) /va-Go-no/, /wa-Go-no/ (liever w dan f!)
zebro (=zebra) /ze-bro/ (niet /s/ /ee/ /oo/)
aùto (met boogje) (=auto) /au-to/, /aW-to/
Eùropo (met boogje) (=Europa) /eW-ro-po/ ("eeuw" met een "e")

 

 

Wanneer au en eu niet met een boogje zijn (dus als het a+u of e+u is), geef ik dat apart aan. Ook in woorden als kas-horoj (=kassa-uren, kassa-tijden) geef ik aan dat de sh geen s-met-dakje is.


Woordenschat internationaal of te Europees?

Een van de regels van het Esperanto is, dat "internationaal bekende woordstammen" dus Esperanto-woordstammen zijn, mits ze niet in conflict komen met reeds in gebruik zijnde woorden* en mits ze aangepast worden aan het klanksysteem (spelling) en aan de eisen van de woordvorming van de taal. Internationaal bekende woorden (voor de meeste talen zijn dat z.g. "vreemde woorden") zijn voor een groot deel afkomstig uit het Latijn of het Oud-Grieks. Een flink aantal internationale wetenschappelijke e.a. termen (bijv. "algebra", "chemie", "tarief") zijn afkomstig uit het Arabisch of het Perzisch. Veel internationaal bekende namen van planten en dieren zijn afkomstig uit talen in de gebieden van herkomst.

Er wordt soms gezegd, dat de woordenschat van het Esperanto niet internationaal genoeg of "te Europees" is. Hier valt het volgende over te zeggen: Een feit is, dat iemand die Spaans spreekt meer Latijnse woordstammen zal herkennen dan iemand die Chinees spreekt. Maar een Spaanssprekende zal moeten leren, dat hij alle andere Spaanse woorden niet in het Esperanto mag gebruiken. (De praktijk leert, dat afleren moeilijker is dan aanleren!) Bovendien zal de woordvorming door het samenvoegen van gelijkblijvende delen, een Chineessprekende meer bekend voorkomen dan een Spaanssprekende. Die manier van woorden samenstellen is voor sprekers van Spaans, Frans, e.d. heel ongewoon, maar juist wel bekend in veel niet-Europese talen.

Er zijn duizenden talen op de wereld. Wanneer er woorden uit al die talen gebruikt zouden worden, zou niemand er iets mee opschieten. Wat is het voordeel, wanneer iedereen één of twee woorden uit zijn eigen taal zou herkennen, terwijl alle andere woorden afkomstig zouden zijn uit allerlei volkomen onbekende talen? Terwijl tegelijk ook alle woorden die, ook buiten Europa, bekend zijn als "vreemde woorden", zouden zijn verdwenen? (De enige woorden die Arabisch, Japans, Bengaals, Quechua, Xhosa en Ewe -- om maar enkele grotere niet-Europese talen te noemen -- gemeen hebben, zijn immers juist een aantal van die "vreemde woorden"...)

Sprekers van niet-Europese talen hebben mij te verstaan gegeven, dat ze "die paarhonderd 'Europese' woordstammen" (met minder dan duizend woordstammen kom je in het Esperanto een heel eind...) niet zo belangrijk vinden. Des te meer, dat woordvorming en grammatica oneindig veel eenvoudiger en overzichtelijker zijn dan die van welke nu internationaal gebruikte taal dan ook. (Uiteraard worden voor, bijvoorbeeld, typisch Chinese begrippen in het Esperanto wel Chinese woordstammen gebruikt. Zoals een Nederlandse polder in het Esperanto "poldero" heet.)

Vooral als beginnende en Europeestalige Esperanto-gebruiker moet men niet te gauw denken, dat een woord "internationaal bekend" is. Een woord dat door middel van voor- en achtervoegsels of door samenstelling is afgeleid van een meer gebruikelijke woordstam, is vaak gemakkelijker te begrijpen dan een minder gebruikelijk, "internationaal"-lijkend woord. De regel is overigens, dat afleidingen van internationale woordstammen op de Esperanto-manier gevormd worden. Zo is "divers" diversa, maar "diversificatie" (divers maken) diversigo.

----
* Bijvoorbeeld: de stam "import" betekent "import (invoer)", dus kan de stam "import" niet voor "belangrijk" gebruikt worden.


Woordsoorten

Voor sprekers van Europese talen wordt de woordvorming en de grammatica van het Esperanto op een "Europese" manier uitgelegd. Voor sprekers van andere soorten talen gaat dat op een andere manier. Maar het resultaat is hetzelfde. Wanneer ik dus zeg, dat "het zelfstandige naamwoord de uitgang -o heeft", kan dat ook op andere manieren uitgelegd worden.

Zelfstandige naamwoorden,
dus woorden die iets zelfstandigs (een ding, een dier, een persoon, een idee) aangeven -- maar ook de namen van handelingen en eigenschappen, hebben in het Esperanto de uitgang -o. Wanneer het om twee of meer gaat ("meervoud"), komt daar een j achter en is de uitgang -oj (rijmt op "hoi!"). Het "bepaalde" lidwoord (in het Nederlands "de" of "het" -- die geven aan, dat bekend is, om welk "exemplaar" of welke "exemplaren" het gaat...) is altijd la. Een "onbepaald lidwoord" (in het Nederlands "een"="'n") bestaat niet. (Een "onbepaald lidwoord" voor het meervoud bestaat overigens ook niet in het Nederlands.)
"woordgeslachten" (mannelijk/vrouwelijk/onzijdig) bestaan niet.

aùto = een auto -- la aùto = de auto
aùtoj = auto's -- la aùtoj = de auto's /au-toj/
libro = een boek -- la libro = het boek
libroj = boeken -- la libroj = de boeken /lie-broj/
homo = een mens -- la homo = de mens
homoj = mensen -- la homoj = de mensen
shoforo = een chauffeur -- la shoforo = de chauffeur
shoforoj = chauffeurs -- la shoforoj = de chauffeurs
penso = een gedachte -- la penso = de gedachte
pensoj = gedachten -- la pensoj = de gedachten
biero /bie-e-ro/ = bier -- la biero = het bier
sukero /soe-ke-ro/ = suiker -- la sukero = de suiker

Het gebruik van het lidwoord komt niet helemaal met dat in het Nederlands overeen, maar dat wijst zich vanzelf.


Bijvoeglijke naamwoorden

Wanneer we een eigenschap van een zelfstandigheid aangeven, doen we dat vaak met een bijvoeglijk naamwoord. In het Esperanto hebben die de uitgang -a (en in het meervoud -aj):

alta arbo = een hoge boom -- la alta arbo = de hoge boom
altaj arboj = hoge bomen -- la altaj arboj = de hoge bomen
flava banano = een gele banaan -- flavaj bananoj = gele bananen
rapida aùto = een snelle auto -- la rapidaj aùtoj = de snelle auto's
bela domo = een mooi huis -- la belaj domoj = de mooie huizen

Bijvoeglijke naamwoorden mogen ook na het zelfstandige naamwoord staan, bijvoorbeeld: domo bela kaj granda = een mooi en groot huis.

(attentie! "blanka kaj rugha rozoj" geeft twee rozen aan: een witte en een rode.)

Bijvoeglijke naamwoorden kunnen ook door middel van (wat wij noemen) "koppelwerkwoorden" (zijn, worden, lijken,...) met iets verbonden worden:

la arbo estas alta = de boom is hoog -- la arboj estas altaj = de bomen zijn hoog


Werkwoorden

In sommige talen kun je aan de vorm van het werkwoord niet alleen zien, op welke tijd het betrekking heeft, maar ook de "persoon" die het betreft, niet alleen spreker / aangesprokene / een ander, maar ook het geslacht van de persoon, het aantal (een / twee / meer), de sociale rang, enzovoort. In het Esperanto geeft de werkwoordsvorm alleen de "tijd" of de "wijs" aan. Andere informatie komt uit de rest van de zin. Bijvoorbeeld uit het gebruikte persoonlijke voornaamwoord. Er is dus per "tijd" en "wijs" een werkwoordsvorm.

De werkwoordsvormen zijn:

tegenwoordige tijd: -as (voor alle "personen")
mi legas = ik lees (denk aan de "zachte k")
vi skribas = jij/u schrijft / jullie schrijven
li dormas = hij slaapt
shi iras = zij loopt, zij gaat
ni parolas = wij praten, wij spreken
ili manghas = zij eten (met een mooie stemhebbende gh /dzj/)
oni diras = men zegt

(De tegenwoordige tijd wordt gebruikt voor wat nu gebeurt, en voor wat altijd gebeurt, en voor wat gewoonlijk gebeurt. Zoals in het Nederlands. Maar niet voor iets wat straks of over enige tijd gebeurt -- dat is toekomst, dus toekomende tijd!)

verleden tijd: -is
mi dormis = ik sliep, ik heb geslapen
vi iris = jij/u ging, bent gegaan / jullie gingen, zijn gegaan
li parolis = hij sprak, hij heeft gesproken
shi manghis = zij at, zij heeft gegeten
ni diris = wij zeiden, wij hebben gezegd
ili legis = zij lazen, zij hebben gelezen
oni skribis = men schreef, men heeft geschreven
(Wanneer "zij heeft gegeten" betekent: "zij is klaar met eten", kun je het anders zeggen, maar wanneer het gewoon betekent, dat zij op een eerder tijdstip gegeten heeft, gebruikt men in het Esperanto -is)

toekomende tijd: -os
Let op! In het Nederlands gebruiken we voor iets dat nog moet gebeuren meestal de tegenwoordige tijd: "Wij gaan volgend jaar naar Frankrijk." In het Esperanto wordt dan de toekomende tijd gebruikt!
mi diros = ik zal zeggen, ik zeg dan
vi legos = jij/u zult lezen, leest dan / jullie zullen lezen, lezen dan
li skribos = hij zal schrijven, hij schrijft dan
shi dormos = zij zal slapen, zij slaapt dan
ni iros = wij zullen gaan, wij gaan dan
ili parolos = zij zullen spreken, zij spreken dan
oni manghos = men zal eten, men eet dan
(Wanneer "zij zal eten" betekent: "zij moet eten", dan moet e.e.a. met het werkwoord devi =moeten worden uitgedrukt -- zie later)

voorwaardelijke wijs: -us
"Als dit (niet) zou gebeuren, dan zou ik dat (niet) doen." Maar in het Nederlands ook: "Als dit gebeurt, dan doe ik dat.", "Moest ik gevraagd worden, dan zou ik het doen." Zolang het om een handeling of gebeurtenis gaat, die afhangt van een (nog) niet vervulde voorwaarde, gebruikt men in het Esperanto -us. Ook voor de voorwaarde, als die genoemd wordt.
mi skribus (se mi havus tempon) = ik zou schrijven /mie skrie-boes/ (als ik tijd had/zou hebben)
vi dormus = jij/u zou slapen / jullie zouden slapen
li irus = hij zou gaan
shi parolus = zij zou spreken
ni manghus = wij zouden eten /nie man-dzjoes/
ili dirus = zij zouden zeggen
oni legus = men zou lezen
(In het Nederlands kan "hij zou schrijven" ook betekenen: "hij heeft gezegd: 'ik zal schrijven'" -- "hij heeft beloofd, te schrijven" -- dat wordt in het Esperanto anders uitgedrukt. -us geeft het bestaan van een (nog) niet vervulde voorwaarde aan, niet een aankondiging in het verleden. -us is dus niet "verleden toekomende tijd"!)

gebiedende / verzoekende / raadgevende wijs: -u
"skribu" kan in het Esperanto, afhankelijk van de omstandigheden en van de rest van de tekst, betekenen: "schrijf!", "zou je willen schrijven", "het zou goed zijn als je zou schrijven"... De vorm kan ook worden gebruikt met een persoonlijk voornaamwoord: "shi manghu" = laat zij (wat) eten. (Attentie: "Laat zij eten" is heel iets anders dan: "Laat haar eten"...)
silentu! = zwijg! /sie-len-toe/
mi diru... = laat ik zeggen...
li manghu = laat hij (iets) eten /lie man-dzjoe/
oni skribu... = men schrijve...

onbepaalde wijs = infinitief: -i
(Dit is, wat we in het Nederlands vaak "het hele werkwoord" noemen. Het is ook de woordenboek-vorm. Hij wordt o.a. gebruikt na moeten, willen, kunnen.)
mi volas iri = ik wil (nu) gaan
vi devas legi = jij/u moet lezen / jullie moeten lezen
li devis skribi = hij moest schrijven
shi volis dormi = zij wilde slapen
ni povos paroli = wij zullen (dan) kunnen spreken
ili volis manghi = zij wilden eten
oni povus diri = men zou kunnen zeggen /o-nie po-voes die-rie/

Samenvattend:
-as = vandaag of altijd: tegenwoordige tijd
-is = gisteren: verleden tijd
-os = morgen: toekomende tijd
-us = moest het gebeuren...: voorwaardelijke wijs
-u = doe 't: gebiedende / verzoekende / raadgevende wijs
-i = infinitief: het hele werkwoord


Ingewikkelder situaties kunnen ook ingewikkelder omschreven worden. Er zijn twee soorten "ingewikkelde" werkwoords-toepassingen. Tenminste... in het Nederlands. De overeenkomstige toepassingen in het Esperanto lijken alleen maar ingewikkeld, omdat ze principieel anders zijn dan in het Nederlands.
(U kunt het volgende stuk voorlopig overslaan...)

Ten eerste: de "indirecte rede"
Het gaat hierbij om het weergeven van wat iemand zegt, denkt, schrijft, enz. Dat kan op twee manieren. Wanneer hetgeen gezegd werd/wordt/zal worden, als citaat wordt weergegeven, tussen aanhalingstekens ("directe rede"), komen Nederlands en Esperanto met elkaar overeen. Wanneer hetgeen gezegd werd/wordt/zal worden, niet als citaat wordt weergegeven ("indirecte rede"), worden in het Nederlands de werkwoordstijden als het ware bij elkaar opgeteld -- maar in het Esperanto is de werkwoordstijd dezelfde als in de "directe rede". Er is dus geen "verleden toekomende tijd" of iets dergelijks (als werkwoordsvervoeging):

li diris: "mi legos" = hij zei: "ik zal (gaan) lezen"
dus: li diris, ke li legos = hij zei, dat hij zou (gaan) lezen
li diris: "mi legas" = hij zei: "ik lees"
dus: li diris, ke li legas = hij zei, dat hij las
li diris: "mi legis" = hij zei: "ik las/heb gelezen"
dus: li diris, ke li legis = hij zei, dat hij gelezen had
shi diros: "mi legos" = zij zal zeggen: "ik zal lezen"
dus: shi diros, ke shi legos = zij zal zeggen, dat ze zal gaan lezen

shi diros: "mi legas" = zij zal zeggen: "ik lees"
dus: shi diros, ke shi legas = zij zal zeggen, dat ze zal lezen / dat ze leest
shi diros: "mi legis" = zij zal zeggen: "ik las"
dus: shi diros, ke shi legis = zij zal zeggen, dat ze gelezen zal hebben / dat ze gelezen heeft

Het systeem in het Esperanto is in ieder geval overzichtelijker dan het Nederlandse systeem.

ten tweede: de zogenaamde "samengestelde werkwoordstijden"

Niet alle situaties in het leven kunnen eenvoudig met "verleden tijd", "tegenwoordige tijd" en "toekomende tijd" worden omschreven. Het is soms nodig om aan te geven, dat iets in het verleden (of in het heden, of in de toekomst) al afgelopen was/is/zal zijn, of nog aan de gang was/is/zal zijn, of nog moest/moet/zal moeten gebeuren.
Daar zijn in het Nederlands verschillende manieren voor. In het Esperanto kom je al een heel eind met: jam = "reeds", plu = "verder", ankoraù = "nog", ne plu = "niet meer" en: ankoraù ne of ne jam = "nog niet", pli frue = "eerder", poste = "daarna", enz. Maar al gauw zult u de "deelwoorden" (die geen deelwoorden zijn, maar bijvoeglijke naamwoorden of bijwoorden...) leren hanteren.
Er zijn zes achtervoegsels, die geleerd moeten worden. Maar ook niet meer dan zes...

actief ("bedrijvend"):

-ant- = aan de gang, bezig (reeds begonnen, nog niet klaar):
leganta = aan het lezen, lezend
leganta knabo = een lezende jongen = een jongen die op dat moment aan het lezen was/is/zal zijn
kiam mi venis, li estis leganta tiun libron = toen ik kwam, was hij dat boek aan het lezen / was hij bezig dat boek te lezen (hij was lezende)
evenzo: li estos leganta = hij zal aan het lezen zijn
faranta = doende, aan het doen

-int- = klaar met, gereed met, al gedaan hebbend:
leginta = klaar met lezen, gelezen hebbend
leginta knabo = een gelezen hebbende jongen = een jongen die op dat moment klaar was/is/zal zijn met lezen
kiam mi venis, li estis leginta tiun libron = toen ik kwam, had hij dat boek gelezen / was hij klaar met dat boek (hij was gelezen hebbende)
evenzo: li estos leginta = hij zal gelezen hebben / klaar zijn met lezen
farinta = gedaan hebbend, klaar met

-ont- = zullende, nog moeten (nog niet begonnen):
legonta = nog lezen moetend, nog lezen zullend
legonta knabo = een nog lezen moetende jongen = een jongen die op dat moment nog moest/moet/zal moeten gaan lezen
kiam mi venis, li estis legonta tiun libron = toen ik kwam, zou hij dat boek gaan lezen (hij was zullende lezen)
evenzo: li estos legonta = hij zal dan nog moeten gaan lezen
faronta = nog doen moetend, nog doen zullend

passief ("lijdend"):

-at- = gedaan wordend, onderhanden
legata = gelezen wordend
legata libro = een onderhanden boek = een boek dat op dat moment gelezen werd/wordt/zal worden
farata = gedaan wordend, onderhanden
farata laboro = onderhanden werk = werk dat op dat moment gedaan werd/wordt/zal worden
tiu laboro estis farata = dat werk was aan de gang / met dat werk waren ze bezig / dat werk werd (toen) gedaan (het werk was gedaan wordend)
evenzo: tiu laboro estos farata = dat werk zal aan de gang zijn / dat werk zal (dan) gedaan worden

-it- = klaar, af, gereed
legita = gelezen, uit
legita libro = een (reeds) gelezen boek
farita = gedaan, klaar, af
farita laboro = gedaan werk = werk dat op dat moment af was/is/zal zijn
tiu laboro estis farita = dat werk was af / met dat werk waren ze klaar (het werk was gedaan zijnd)
evenzo: tiu laboro estos farita = dat werk zal af zijn / gedaan zijn

-ot- = nog te doen (nog niet begonnen)
legota = (nog) te lezen
legota libro = een nog te lezen boek
farota = (nog) te doen
farota laboro = te verrichten werk = werk dat op dat moment nog gedaan moest/moet/zal moeten worden
tiu laboro estis farota = dat werk moest nog gedaan worden / dat werk stond nog te doen (het werk was gedaan zullende worden)
evenzo: tiu laboro estos farota = dat werk zal dan nog gedaan moeten worden

Soms moeten we oppassen met het Nederlandse "hij zou" e.d. Vaak is dat geen "voorwaardelijke wijs", maar een aankondiging in het verleden, zoals in:
li estis vojaghonta al Parizo = hij zou naar Parijs reizen/gaan -- eigenlijk: "hij was zullende gaan"!
Hier is geen sprake van een voorwaarde, zoals wel in:
li vojaghus al Parizo, se li havus monon = hij zou naar Parijs reizen/gaan, als hij geld zou hebben/als hij geld had

Het Nederlandse "zou" e.d. heeft nog meer betekenissen:
Hier volgen 6 vertalingen van: "hij zou een boot bouwen":
oni diras, ke li konstruas boaton = men zegt (ze zeggen), dat hij een boot bouwt -- of:
laùdire li konstruas boaton = volgens zeggen bouwt hij een boot
li diris, ke li konstruos boaton = hij zei, dat hij een boot zou gaan bouwen (dwz.: "ik ga een boot bouwen")
li planis konstrui boaton = hij was van plan een boot te bouwen
li estis konstruonta boaton = hij ging een boot bouwen (-- gewoon een constatering)
li konstruus boaton (se...) = hij zou een boot bouwen (als...)
Het is dus van het grootste belang, niet klakkeloos uit het Nederlands te vertalen, maar te bedenken, wat u eigenlijk wilt zeggen... en dat dan ook te zeggen...

Als bijwoord, dus eindigend op -e (zie verderop), geven deze uitgangen vaak een omstandigheid aan. In het Nederlands gebruiken we dan vaak een (uitgebreide) bijzin:

promenonte, li prenis ombrelon = toen hij zou gaan wandelen (''zullende wandelen''), pakte hij een paraplu
manghinte, ni trinkis kafon = nadat wij hadden gegeten / toen we klaar waren met eten (''gegeten hebbende''), dronken wij koffie
legante gazeton, shi aùskultis la radion = terwijl zij een krant aan het lezen was / onder het lezen van een krant (''een krant lezende''), luisterde ze naar de radio
dirinte tion, li foriris = toen hij dat gezegd had (''dat gezegd hebbende''), ging hij weg
konsiderante chion, mi diru... = laat ik, alles overwegend, zeggen...
konsiderinte chion, mi diru... = laat ik, alles overwogen hebbend, zeggen...
konsideronte chion, ni nun paùzu = laten we, voordat we alles gaan overwegen, nu pauzeren

Ik raad u aan, zich niet te veel zorgen over deze "ingewikkelde werkwoordstijden" te maken. Het lijkt erg ingewikkeld (omdat het anders is dan in het Nederlands), maar in de praktijk valt het erg mee. Als u maar onthoudt, dat het gaat om "klaar", "aan de gang" en "nog te doen" op het moment, waar u over spreekt.


Persoonlijke voornaamwoorden

De "persoonlijke voornaamwoorden" zijn:
mi = ik
vi = jij / u / jullie (enkelvoud en meervoud)
li = hij (een mens, eventueel een dier)
shi = zij (enkelvoud) (een mens, eventueel een dier)
ghi = het/hij/zij (een ding, een zaak, een dier, een idee)
ni = wij
ili = zij (meervoud) (mensen, dieren, dingen, zaken, ideeën)
oni = men
[si = zichzelf] (zie verderop)
Dat vi zowel enkelvoud als meervoud kan zijn, is voor Nederlandstaligen even wennen, hoewel voor "je" en "u" hetzelfde geldt. Men kan natuurlijk altijd zeggen: vi chiuj = u/jullie allen, of vi du = jullie twee... (Het Nederlandse "jullie" is oorspronkelijk net zo iets: "je lieden".)

Dat vi zowel "jij" als "u" kan betekenen, maakt het voor mensen die moeilijk kunnen kiezen tussen die twee, heel wat gemakkelijker. Bovendien is het gebruik van de "jij-vorm" (als die bestaat) in verschillende talen (en in dezelfde taal op verschillende plaatsen) helemaal niet gelijk. Wat op de ene plek een uitdrukking van vriendschap is, is elders een belediging... Eén vorm voor alle aangesproken personen lost dit probleem op. Vriendschap en respect toon je op een andere manier.

Bezittelijke voornaamwoorden

In het Esperanto zijn dat bijvoeglijke naamwoorden. Ze worden afgeleid van de persoonlijke voornaamwoorden, door er -a of -aj (meervoud) achter te zetten.
mia libro = mijn boek -- miaj libroj = mijn boeken /mie-aj lie-broj/
via aùto = jouw/uw/jullie auto -- viaj aùtoj = jouw/uw/jullie auto's /vie-aj au-toj/
lia granda domo = zijn grote huis -- liaj grandaj domoj = zijn grote huizen
shia bona ideo /ie-de-o/ = haar goede idee -- shiaj bonaj ideoj = haar goede ideeën
ghia enhavo = de inhoud ervan (van een ding of idee)
nia najbaro = onze buurman -- niaj najbaroj = onze buren
ilia lando = hun land -- iliaj landoj = hun landen
[sia = zijn/haar/hun eigen]


Bijwoorden

Zoals bijvoeglijke naamwoorden iets zeggen van een zelfstandigheid ("een hoog huis"), zeggen bijwoorden iets van een handeling of een toestand ("hij springt hoog"). In het Nederlands is de vorm van bijvoeglijke naamwoorden en van bijwoorden vaak hetzelfde. In het Esperanto niet!
Bijwoorden hebben de uitgang -e (of geen uitgang, maar dat zien we nog).

li alte saltas (of: li saltas alte) = hij springt hoog
vgl.: alta salto = een hoge sprong
shi bele kantas = zij zingt mooi
vgl.: bela kanto = een mooi lied
rapide veturu! = rij snel!
vgl.: rapida veturo = een snelle rit
ili bele skribas = zij schrijven mooi
vgl.: bela skribo = een mooi (hand)schrift

Onthoud: Een bijvoeglijk naamwoord geeft een eigenschap aan van een persoon, dier, ding of idee. Alleen dan zien we -a. Anders zien we -e.

bijwoorden zonder uitgang
Sommige bijwoorden hebben geen uitgang. Het zijn bijwoorden die niet parallel lopen aan (of: afgeleid zijn van) bijvoeglijke naamwoorden. Bijvoorbeeld:
tre = zeer, erg
li tre rapide veturis = hij heeft heel hard gereden
ne = nee / niet
ne! li ne faris tion = nee! hij heeft dat niet gedaan
jam = reeds, al
shi jam konis lin = zij kende hem al
baldaù = spoedig, gauw
ni baldaù venos = wij zullen spoedig komen
Zie verder de woordenlijst.

ander gebruik van bijwoorden
Bijwoorden kunnen ook iets zeggen van:
* bijvoeglijke naamwoorden:
tre bela libro = een heel mooi boek
frue matura piro = een vroeg rijpe peer
* andere bijwoorden:
li tre rapide veturas = hij rijdt erg snel
tre frue matura piro = een erg vroeg rijpe peer
* de hele zin:
matene la birdoj kantis = 's morgens zongen de vogels
certe oni povas diri tion = zeker kan men dat zeggen
* een bijzin:
[estas] bone, ke shi venis = ['t is] goed, dat zij gekomen is


meer -- meest -- minder -- minst

pli = meer, ...er -- malpli = minder
plej = meest, ...st -- malplej = minst
("mal-" geeft het tegenovergestelde aan, zoals "on-" in het Nederlands)

li estas pli juna ol mi = hij is jonger dan ik
li estas la plej juna = hij is de jongste
li estas malpli juna ol mi = hij is minder jong (ouder) dan ik
li estas la malplej juna = hij is de minst jonge (oudste)

let op:
li estas malpli juna ol mi = hij is minder jong dan ik (ik ben jong)
li estas pli maljuna ol mi = hij is ouder dan ik (ik ben niet jong meer)
Vaak doet het verschil tussen malpli juna en pli maljuna er niet toe. Soms wel...

shi kantas pli bele ol mi = zij zingt mooier dan ik
shi kantas plej bele = zij zingt het mooist
shi kantas malpli bele ol mi = zij zingt minder mooi dan ik
shi kantas pli malbele ol mi = zij zingt (nog) lelijker dan ik
shi kantas malplej bele = zij zingt het minst mooi
shi kantas plej malbele = zij zingt het lelijkst
Bij ''minder mooi'' en ''lelijker'' is het verschil duidelijk, ook in het Nederlands


zinnen zonder onderwerp

In het Nederlands kennen we een "dummy-onderwerp", dat gebruikt wordt, wanneer er geen onderwerp is, namelijk "het" ("'t"). In het Esperanto is er dan geen onderwerp. Het gevolg is, dat er dan niet een bijvoeglijk naamwoord (-a) wordt gebruikt, maar een bijwoord (-e). Er is dan namelijk geen "zelfstandigheid", waar het bijvoeglijk naamwoord bij zou kunnen horen...

pluvas = 't regent
neghas = 't sneeuwt
frostas = 't vriest
estas varme = 't is warm
estas bone tiel = 't is goed zo
bone! = goed!, o.k.!
estas bone, ke shi diris tion = 't is goed, dat zij dat gezegd heeft

Wanneer "het" geen dummy-onderwerp is, maar een echt onderwerp, gebruik je het persoonlijke voornaamwoord ghi en past er wel een bijvoeglijk naamwoord bij:
(tiu akvo?) -- ghi estas varma = (dat water?) -- het is warm
(tiu libro?) -- ghi estas bela = (dat boek?) -- het is mooi
(in die gevallen kun je "het" vervangen door "dat")


Telwoorden

1 unu /oe-noe/
2 du /doe/
3 tri /trie/
4 kvar /kwar/
5 kvin /kwien/
6 ses /ses/
7 sep /sep/
8 ok /ok/
9 naù (met boogje) /nauw/
10 dek /dek/
100 cent /tsent/
1000 mil /miel/

Genoeg voor alle hele getallen t/m 999.999 !

11 dek unu /dek oe-noe/
12 dek du /dek doe/
13 dek tri
enz.
20 dudek /doe-dek/
21 dudek unu
22 dudek du
30 tridek
40 kvardek
enz.
101 cent unu
102 cent du /tsent doe/
110 cent dek
111 cent dek unu
200 ducent /doe-tsent/
456 kvarcent kvindek ses
999 naùcent naùdek naù

1001 mil unu
1002 mil du /miel doe/
2000 dumil /doe-miel/
5678 kvinmil sescent sepdek ok
9000 naùmil /nauw-miel/
9999 naùmil naùcent naùdek naù

10.000 dek mil
11.000 dek unu mil
100.000 cent mil
200.000 ducent mil
201.000 ducent unu mil
234.567 ducent tridek kvar mil kvincent sesdek sep
999.999 naùcent naùdek naù mil naùcent naùdek naù

1.000.000 unu miliono /mie-lie-o-no/
2.000.000 du milionoj
("miljoen" is dus, net als in het Nederlands, een zelfstandig naamwoord -- maar het staat indien nodig wel in het meervoud...)

telwoorden zelfstandig
unuo = een eenheid
duo = een tweetal, een duo
trio = een drietal, een trio
kvaro = een viertal, een kwartet
deko = een tiental
dekduo = een twaalftal, een dozijn
cento = een honderdtal
milo = een duizendtal
enz.

telwoorden bijvoeglijk -- rangtelwoorden
la unua tago = de eerste dag /oe-noe-a/
la dua loko = de tweede plaats
la deka horo = het tiende uur ("tien uur")
la dekdua (12-a) de januaro = de 12e van januari ("12 januari")
la centa fojo = de honderdste keer

telwoorden bijwoordelijk
mi unue diru... = laat ik eerst zeggen /oe-noe-e/
unue: ... = ten eerste, op de eerste plaats
due: ... = ten tweede, op de tweede plaats

delen / fracties: -on-
duono = een helft (1/2)
triono = een derde (deel) (1/3)
du trionoj = twee derden (2/3)
kvarono = een kwart (1/4)
tri kvaronoj = drie vierden (3/4)
duona horo = een half uur
kvarona litro = een kwart liter
duone plena glaso = een halfvol glas
duone dormi = half slapen

veelvouden: -obl-
la duoblo = het dubbele
duoble kalkuli = dubbel rekenen
duobla kvanto = een dubbele hoeveelheid
centoble = honderdvoudig


voorzetsels

(Ik geef hier maar een paar voorzetsels, zie verder de woordenlijst)

en la domo = in het huis
ekster la domo = buiten het huis
sur la domo = op het huis
sub la domo = onder het huis
apud la domo = naast het huis
che la domo = bij het huis
super la domo = boven het huis
antaù la domo = vóór het huis
malantaù la domo = achter het huis
chirkaù la domo = rondom het huis

mi sidas sur segho = ik zit op een stoel
mi sidas en segho = ik zit in een stoel (een gemakkelijke stoel, dus)
antaù la domo staras arboj = voor het huis staan bomen
li parolas pri libroj = hij spreekt over boeken
shi manghas per forko = zij eet met (=d.m.v.) een vork
shi vojaghas kun amiko = zij reist (=maakt een reis) met (=samen met) een vriend
ili veturis per aùtobuso = zij reden/reisden (als passagier) met een bus / per bus
ni flugis super la maro = wij vlogen boven (de) zee
(In het Nederlands zeggen we: boven de stad, boven het strand, maar: boven zee.)
li studas en universitato = hij studeert aan een universiteit (dus: in)
ni biciklis al Parizo = wij fietsten naar Parijs
mi loghas en Amsterdamo = ik woon in Amsterdam

Een bijzonder voorzetsel is je. Het wordt gebruikt, wanneer er geen ander voorzetsel is met de juiste betekenis:

je via sano! = op je gezondheid! (hoezo ''op''?)
je mia miro = tot mijn verbazing
je la tria (horo) = om drie uur
je granda distanco = op grote afstand

voorzetsels die zowel een plaats als een richting (een beweging naar) aan kunnen geven

mi naghas en la rivero = ik zwem in de rivier
mi saltas en la riveron = ik spring in de rivier (van de kant af)
mi saltas en la rivero = ik spring (op en neer) in de rivier (ik ben in de rivier en spring daar)
la kato saltas sur la tablo = de kat springt op de tafel (heen en weer)
la kato saltas sur la tablon = de kat springt (van de vloer) op de tafel
li iras en la domo = hij loopt in het huis
li iras en la domon = hij loopt het huis in

Wanneer dus een beweging niet al door het voorzetsel wordt aangegeven (zoals in: mi biciklis al Parizo), wordt de plaats-waarnaartoe aangegeven d.m.v. de uitgang -n.
ook:
li laboras hejme = hij werkt thuis
li iras hejmen = hij gaat naar (t)huis
biciklu dekstre = fiets rechts (aan de rechterkant)
biciklu dekstren = fiets naar rechts, ga rechtsaf (op de fiets)


de uitgang -n
De uitgang -n geeft niet alleen de plaats-waarnaartoe aan na een voorzetsel. Hij kan op zichzelf al een bestemming aangeven: mi biciklis Parizon = ik fietste naar Parijs / (in de) richting (van) Parijs. (Men gebruikt vaker: mi biciklis al Parizo.)

In het algemeen wordt dat, waarop een handeling e.d. betrekking heeft, of dat, waarop een handeling e.d. gericht is, aangegeven door -n (wanneer het niet door een voorzetsel wordt aangegeven).

Ook het "lijdend voorwerp" van een handeling wordt d.m.v. -n aangegeven.

li rigardas la libron = hij bekijkt het boek.
maar: li rigardas al la libro = hij kijkt naar het boek
mi legis tion /tie-on/ = ik las dat / ik heb dat gelezen
maar: mi legis pri tio = ik las daarover (=over dat) / ik heb daarover gelezen
mi legas revuon = ik lees een tijdschrift
maar: mi legis tion en revuo = ik las dat (lijd.vw.) in een tijdschrift.
en: mi legis pri tio en revuo = ik las daarover in een tijdschrift
shi rakontas fabelon = zij vertelt een sprookje
maar: shi rakontas pri fabelo = zij vertelt over een sprookje
ni achetis multajn librojn = wij kochten veel (vele) boeken
ili vendas belajn afishojn = zij verkopen mooie affiches (posters)
mi pagis dek guldenojn = ik betaalde tien gulden(s)
ook: ghi kostas dek dolarojn = het kost tien dollar(s)
li bezonis du horojn = hij had twee uur (uren) nodig
ook: tio daùros du horojn = dat zal twee uur duren
en: shi parolis dudek minutojn = zij sprak twintig minuten
(Vanuit een Nederlands gezichtspunt zou je kunnen zeggen: een zinsbepaling zonder voorzetsel heeft de uitgang -n, als het geen bijwoord is)

verder ook in wensen:
(mi deziras al vi) bonan nokton! = (ik wens u een) goede nacht!
(mi deziras al vi) sukceson! = (ik wens u) succes!
ook: sanon! = gezondheid!, proost!
en: saluton! = gegroet!, dag!, hallo!
maar: ghis revido! = tot (weer)ziens! (met voorzetsel, geen beweging naar, dus geen -n)

Omdat degene, die (of datgene, dat) een handeling verricht geen uitgang -n heeft, terwijl degene, op wie (of datgene, waarop) de handeling betrekking heeft wel de uitgang -n heeft, of door een voorzetsel wordt aangegeven, kunnen zinsdelen in het Esperanto in een andere volgorde staan, dan in het Nederlands gebruikelijk is:

li vidis grandan domon = hij zag een groot huis
grandan domon li vidis = een groot huis zag-ie
shi lin ne vidis / shi ne vidis lin = zij zag hem niet
shin li ne vidis / shin ne vidis li = haar zag hij niet
maar ook: tiu knabo ne vidis la knabinon = die jongen zag het meisje niet (hij zag haar niet)
tiun knabon ne vidis la knabino = het meisje zag die jongen niet (!) (hem zag ze niet)
(In het Nederlands zijn bij persoonlijke voornaamwoorden de onderwerps- en voorwerps-vorm verschillend -- daarom kunnen we wel zeggen: "die jongen (lijd.vw.) zag zij (ond.) niet" en "hem (lijd.vw.) zag het meisje (ond.) niet", maar levert: "die jongen (lijd.vw.) zag het meisje (ond.) niet" misverstanden op!)

Wanneer geen voorzetsel, maar -n?
Vaak is duidelijk, dat de handeling meer rechtstreeks gericht is op het ene "voorwerp", dan op het andere. "Schrijven" is bijvoorbeeld het zetten van letters op papier. Wat dan ontstaat, is bijvoorbeeld een brief. Pas wanneer die brief er is, kan hij aan iemand verstuurd worden. "Schrijven" heeft dus in de eerste plaats betrekking op "brief". Dan wordt de rol van de brief aangegeven door -n: Li skribas leteron. In het Esperanto heet dit "rekta objekto" (rechtstreeks voorwerp). In het Nederlands bestaat ook een "meewerkend voorwerp", dat ook zonder voorzetsel kan zijn: "Zij vertelt het kind een mooi sprookje." "Zij vertelt het kind" is niet mogelijk. "Zij vertelt een sprookje" kan wel. Hieruit blijkt al, dat "vertellen" in de eerste plaats betrekking heeft op "sprookje". "Sprookje" krijgt dus de -n. In het Esperanto moet het "andere voorwerp" dan worden aangegeven door een voorzetsel: Shi rakontas belan fabelon al la infano. of Shi rakontas al la infano belan fabelon. = Zij vertelt het kind een mooi sprookje. Evenzo: Li skribis al mi leteron. = Hij schreef mij een brief.

Niet altijd is zo duidelijk, of een handeling zo rechtstreeks betrekking heeft op een "voorwerp". Soms kan een "voorwerp" dus hetzij door -n of door een voorzetsel worden aangegeven:

Mi instruas pri ekonomio. = Ik onderwijs (geef les) in/over ekonomie.
Mi instruas ekonomion. = Ik onderwijs ekonomie.
Li rigardas al shi. = Hij kijkt naar haar.
Li rigardas shin. = Hij kijkt naar haar.

Het gebruik van "rechtstreekse (lijdende) voorwerpen" en "voorzetsel-voorwerpen" loopt in het Nederlands en het Esperanto niet helemaal parallel. In de praktijk worden de verschillen wel duidelijk.


si / sin = zich(zelf) -- sia / sian = zijn/haar/hun eigen

mi lavas min = ik was me(zelf)
vi lavas vin = jij wast je(zelf) / u wast zich(zelf) / jullie wassen je(zelf)
li lavas sin = hij wast zich(zelf)
shi lavas sin = zij wast zich(zelf)
ni lavas nin = wij wassen ons(zelf)
ili lavas sin = zij wassen zich(zelf)
dus:
li vidas sin = hij ziet zichzelf (in de spiegel, bijv.)
li vidas lin = hij ziet hem (een ander)
shi aùdas sin = zij hoort zichzelf (op een bandje, bijv.)
shi aùdas shin = zij hoort haar (een ander)

li legas sian leteron = hij leest z'n (eigen) brief
li legas lian leteron = hij leest zijn brief (van een ander)
li legas shian leteron = hij leest haar brief
shi miras pri shia sukceso = zij is verbaasd over haar succes (het succes van een ander)
shi miras pri sia sukceso = zij is verbaasd over haar succes (haar eigen succes)
shi miras pri lia sukceso = zij is verbaasd over zijn succes
li laboras por shi = hij werkt voor haar
li laboras por li = hij werkt voor hem
li laboras por si = hij werkt voor zichzelf
ili portas siajn instrumentojn = zij dragen hun (eigen) instrumenten
ili portas iliajn instrumentojn = zij dragen hun instrumenten (instrumenten van anderen)

attentie!
si(a) verwijst altijd naar het onderwerp van de handeling -- en kan nooit zelf het onderwerp van een handeling aangeven.

li venos morgaù kun sia edzino = hij komt morgen (=zal komen!) met zijn (eigen) vrouw (echtgenote)
maar:
li kaj lia edzino venos morgaù = hij en zijn vrouw komen morgen. (zijn vrouw is ook "onderwerp")

het onderwerp van de handeling, waarnaar si(a) verwijst, is niet altijd het onderwerp van de zin!

mi petis lin, rakonti pri sia vojagho = ik heb hem gevraagd, over z'n (eigen) reis te vertellen
mi petis lin, rakonti pri lia vojagho = ik heb hem gevraagd, over zijn (een anders) reis te vertellen
sia verwijst dus naar het onderwerp van "vertellen"!


van de ene woordsoort naar de ander

In het Esperanto worden verschillende woordsoorten van dezelfde woordstam afgeleid. In het Nederlands hebben we dan niet altijd een kant-en-klaar woord met die betekenis. En soms heeft zo een afleiding geen duidelijke betekenis (en wordt dus niet gebruikt).

vero = waarheid:
rakontu la veron! = vertel de waarheid!
vera = waar, echt (bijvoeglijk naamwoord):
vera rakonto = een waar verhaal (een ware vertelling)
vere = waarlijk, waar, echt (bijwoord):
tio vere okazis = dat is echt gebeurd

fini = beëindigen, afsluiten (werkwoord):
shi finis tiun laboron = zij heeft dat werk afgemaakt
fino = eind, slot (zelfstandig naamwoord):
la fino de la ferio = het eind van de vakantie
fina = afsluitend, slot- (bijvoeglijk naamwoord):
la fina chapitro = het afsluitende hoofdstuk, het slothoofdstuk
fine = afsluitend, tot slot (bijwoord):
fine mi diru... = laat ik tot slot zeggen...

studi = studeren (werkwoord)
studo = studie (zelfstandig naamwoord)
studa = met betrekking tot studeren (bijvoeglijk naamwoord):
miaj studaj klopodoj = mijn studeer-inspanningen
stude = door middel van studeren (bijwoord)
mi stude atingis mian scion = ik heb mijn kennis door studeren bereikt

labori = werken (werkwoord)
laboro = werk (zelfstandig naamwoord)
labora = met betrekking tot werk (bijvoeglijk naamwoord)
dum laboraj horoj = tijdens werk-uren
labore = door middel van werk (bijwoord)

kuri = rennen, hardlopen (werkwoord)
kuro = loop, spurt (zelfstandig naamwoord)
nur per kuro mi atingis la aùtobuson = alleen door een spurt haalde (bereikte) ik de bus
kure = d.m.v. rennen (bijwoord)
mi kure atingis la aùtobuson = ik heb door hard te lopen (al hardlopend) de bus gehaald

skribi = schrijven (werkwoord)
skribo = schrift (manier van schrijven) (zelfstandig naamwoord)
la japanoj uzas alian skribon = de Japanners gebruiken een ander schrift
skriba = schriftelijk (bijvoeglijk naamwoord)
skriba ekzameno = een schriftelijk examen
skribe = schriftelijk (bijwoord)
mi skribe komunikis al li, ke... = ik heb hem schriftelijk medegedeeld, dat...

biciklo = fiets (zelfstandig naamwoord)
bicikli = fietsen (werkwoord)
bicikla = met betrekking tot een fiets (bijvoeglijk naamwoord)
bicikla ekskurso = een fiets-excursie
bicikle = door middel van een fiets, op de fiets (bijwoord)
mi bicikle portis tion al shi = ik heb dat op de fiets naar haar gebracht

rugha = rood (bijvoeglijk naamwoord)
rugho = rood, rode kleur (zelfstandig naamwoord)
la rugho de shiaj lipoj = het rood van haar lippen
rughe = rood, in het rood (bijwoord)
tio estis rughe skribita = dat was (in het) rood geschreven
rughi = een rode uitwerking, uitstraling hebben (werkwoord) (niet alleen maar: rood zijn)
la maro rughis pro la algoj = de zee lichtte rood op vanwege de algen

urbo = stad (zelfstandig naamwoord)
urba = stedelijk (bijvoeglijk naamwoord)
urba trafiko = stedelijk verkeer, stadsverkeer
urbi = ???


woordvorming door samenstelling

Zoals in het Nederlands, worden veel woorden gevormd door het samenstellen van woorden (woordstammen):

skribmashino (skrib/mashin/o) = schrijfmachine
urbodomo (urb/o/dom/o) = stadhuis
chirkaùvojo (chirkaù/voj/o) = omweg
kontraùdiri (kontraù/dir/i) = tegenspreken
subtera (sub/ter/a) = onderaards, ondergronds
vinbotelo (vin/botel/o) = wijnfles
tablotuko (tabl/o/tuk/o) = tafelkleed (tafel"doek")
propramane (propr/a/man/e) = eigenhandig
kartludi (kart/lud/i) = kaarten (kaartspelen)
ekspresletero (ekspres/leter/o) = expresbrief

Zoals u ziet, blijft soms midden in het woord een uitgang staan -- om de uitspraak makkelijker te maken.


woordvorming door voor- en achtervoegsels

Ook in het Nederlands gebruiken we voor- en achtervoegsels om woorden te "maken". Maar niet systematisch. Je kunt wel zeggen "een ondiepe sloot", maar niet "een onhoge heuvel"; wel "moeilijkheid", maar niet "gemakkelijkheid"; wel "koningin" en "hertogin", maar niet "prinsin". Het is "blijdschap", maar "droevenis". Terwijl "schap" in "waterschap" iets anders aanduidt dan in "koningschap". Sommige voor- en achtervoegsels kun je in het Nederlands op eigen initiatief gebruiken (bijv. -achtig), maar meestal levert het zelf toepassen woorden op die "niet bestaan" of "niet goed zijn".

In het Esperanto geldt: elk voor- of achtervoegsel heeft een vaste (soms wat ruime) betekenis, en elk woord dat door middel van die voor- of achtervoegsels is "gemaakt" (en iets betekent) "bestaat" en "is goed". Zelfs als nog nooit iemand dat woord heeft gebruikt.

Een van de belangrijkste voorvoegsels is:
mal-
mal- geeft het tegenovergestelde aan, zoals "on-" in "ondiep", "ongevaarlijk", "ongewoon", "onscherp". In het Nederlands gebruiken we meestal "een heel ander woord".

profunda = diep -- malprofunda = ondiep
felicha = gelukkig -- malfelicha = ongelukkig
bona = goed -- malbona = slecht
alta = hoog -- malalta = laag
dormi = slapen -- maldormi = waken (wakker zijn)
fermi = sluiten -- malfermi = openen (ontsluiten)
konstrui = bouwen -- malkonstrui = afbreken
lerni = leren (zich eigen maken) -- mallerni = (zelf iets) afleren
instrui = leren, lesgeven -- malinstrui = (een ander iets) afleren

Als er een aparte stam voor een "tegengestelde" in gebruik is, betekent die vaak net iets anders, een andere nuance:
simpla = eenvoudig -- malsimpla = ingewikkeld, helemaal niet eenvoudig
komplika = ingewikkeld, gecompliceerd -- malkomplika = ongecompliceerd, eenvoudig, simpel
danghera = gevaarlijk -- maldanghera = ongevaarlijk, veilig
sekura = veilig, beschermd -- malsekura = onveilig, gevaarlijk
Die betekenis-nuances leer je natuurlijk al lezende en luisterende. Maar vaak kun je "komplika" zeggen, wanneer je "malsimpla" bedoelt -- en omgekeerd.

Ik geeft nog een paar voorbeelden van voor- en achtervoegsels. De bedoeling is alleen, te laten zien, hoe je door middel van voor- en achtervoegsels gemakkelijk allerlei woorden kunt maken. Die hoef je dus niet apart te leren. Zie verder de woordenlijst.

-ad-
geeft een (herhaalde of langdurige) handeling aan:
salti = springen -- salto = sprong -- saltado = gespring -- saltadi = almaar springen
skribi = schrijven -- skribo = schrift -- skribado = (het) schrijven -- skribadi = almaar schrijven
na een stam die op zich niet een handeling aangeeft:
martelo = een hamer -- marteli = hameren -- martelado = het hameren -- marteladi = steeds maar hameren

-ul-
geeft een persoon aan, die wordt genoemd naar een bepaalde eigenschap:
fremda = vreemd (niet-van-hier) -- fremdulo = een vreemde
stranga = raar, vreemd -- strangulo = een rare vogel, een raar persoon
felicha = gelukkig -- felichulo = een geluksvogel
richa = rijk -- richulo = een rijkaard
blinda = blind -- blindulo = een blinde
trankvila = rustig -- trankvilulo = een rustig iemand

-ec-
geeft (de naam van) een eigenschap aan:
blinda = blind -- blindeco = blindheid
alta = hoog -- alto = hoogte (in meters) -- alteco = hoogte (het hoog-zijn)
felicha = gelukkig -- felicho = geluk (wat je ten deel valt) -- felicheco = geluk (het gelukkig-zijn)
richa = rijk -- richo = rijkdom (het geld, bijv.) -- richeco = rijkdom (het rijk-zijn)
na een stam die zelf niet een eigenschap aangeeft: "met de eigenschappen van..."
shtono = een steen -- shtona = stenen (=van steen) -- shtoneca = stenig, steen-achtig
akvo = water -- akveca = waterig -- akveco = waterigheid
knabo = jongen -- knabeca = jongensachtig

-il-
geeft het gewone hulpmiddel of instrument om iets te doen aan:
skribi = schrijven -- skribilo = pen-of-potlood, iets om mee te schrijven, een "schrijfhoutje" (krajono = potlood, plumo = pen, globskribilo = balpen, feltskribilo = viltstift...)
tranchi = snijden -- tranchilo = een mes
veturi = rijden (in/op voertuig) -- veturilo = voertuig
transporti = transporteren, vervoeren -- transportilo = vervoermiddel
citi = citeren, aanhalen -- citiloj = aanhalingstekens
kalkuli = rekenen -- kalkulilo = een rekenapparaat, rekenmachientje
komputi = uitrekenen, berekenen -- komputilo = een computer
segi = zagen -- segilo = een zaag

-ajh-
geeft iets concreets aan: ''iets dat ... is'', ''iets van...'', ''iets ...s'', ''...sel'':
nutri = voeden -- nutrajho = voedsel
citi = citeren, aanhalen -- citajho = citaat
acheti = kopen -- achetajhoj = boodschappen
verda = groen -- verdajho = iets groens, groen (planten)
alta = hoog -- altajho = een hoogte (een plek waar het hoog is)
skulpti = beeldhouwen -- skulptajho = beeldhouwwerk
pentri = schilderen -- pentrajho = schilderij
skribi = schrijven -- skribajho = schrijfsel, iets geschrevens
ligno = hout -- lignajho = iets van hout

-id-
geeft een afstammeling aan:
chevalo = paard -- chevalido = veulen
bovo = rund -- bovido = kalf
shafo = schaap -- shafido = lam
hundo = hond -- hundido = pup
elefanto = olifant -- elefantido = olifantskalf, olifantsjong
regho = koning -- reghido = koningskind
maar: princo = prins (titel) (niet iedere prins is een koningskind en niet ieder koningskind is een prins)
richulo = rijkaard -- richulido = rijkeluiskind
dus hoef je je niet af te vragen, of het jong van een nijlpaard een "nijlveulen" is...:
hipopotamo = nijlpaard -- hipopotamido = nijlpaard...kalf

-an-
geeft een lid, bewoner, volgeling of aanhanger aan:
Ameriko = Amerika -- Amerikano = Amerikaan
Nederlando = Nederland -- Nederlandano = Nederlander
urbo = stad -- urbano = stedeling
klubo = club -- klubano = clublid
Lutero = Luther -- Luterano = Lutheraan

-in- = vrouwelijk wezen
vir- = mannelijk wezen
ge- = mannelijk(e) en vrouwelijk(e) wezens samen
Traditioneel wordt ook in het Esperanto bij woorden voor mensen het vrouwelijk geslacht apart aangegeven, terwijl er voor het mannelijk geslacht gewoonlijk geen aparte aanduiding is. Woorden voor beroepen, functies e.d. worden echter steeds meer als "sexe-neutraal" beschouwd, waarbij, indien nodig, beide geslachten apart worden aangeduid.
Woorden voor dieren zijn sexe-neutraal. Daarbij wordt zowel het mannelijk als het vrouwelijk geslacht apart aangegeven.

Dat bij mensen het woord voor een man parallel behandeld wordt aan het sexe-neutrale woord bij dieren, kan m.i. eerder als man-onvriendelijk dan als vrouw-onvriendelijk worden beschouwd. Ik beschouw het als een taal-traditie die sociaal weinig relevant is. Wie dat wenst, kan uiteraard ook bij mannen steeds aangeven, dat het een man betreft. In het Esperanto is dat eenvoudiger dan in het Nederlands. De ontwikkeling in de praktijk is anders: "ge-" [man(nen) en vrouw(en)] wordt steeds meer als sexe-neutraal voorvoegsel [man(nen) of vrouw(en)] gebruikt. Voor "vader of moeder" ziet men bijvoorbeeld regelmatig "gepatro".
In correspondentie kan het zeker zin hebben, op de één of andere manier, expliciet aan te geven of de afzender een man of een vrouw is, en of men schrijft over een man of een vrouw. Aan de naam van de persoon is dat voor anderstaligen vaak niet te zien.

viro = man -- virino = vrouw -- geviroj = (een of meer) mannen en (een of meer) vrouwen
maar: homo = mens, persono = persoon (sexe-neutraal)
edzo = man = echtgenoot -- edzino = vrouw = echtgenote -- geedzoj = echtgenoten (man en vrouw)
knabo = jongen -- knabino = meisje -- geknaboj = jongens en meisjes
patro = vader -- patrino = moeder -- gepatroj = ouders
filo = zoon -- filino = dochter -- gefiloj = zonen en dochters
maar: infano = kind (sexe-neutraal)
amiko = vriend -- amikino = vriendin -- geamikoj = vrienden en vriendinnen
regho = koning -- reghino = koningin -- gereghoj = koning(en) en koningin(en)
dieren:
bovo = rund -- bovino = koe -- virbovo = stier
chevalo = paard -- chevalino = merrie -- virchevalo = hengst
porko = varken -- porkino = zeug -- virporko = beer (mannetjesvarken)

-ar-
geeft een verzameling aan:
shtupo = tree, trede -- shtuparo = trap
arbo = boom -- arbaro = bos
kampo = veld -- kamparo = platteland
klavo = toets -- klavaro = toetsenbord (van piano, computer,...)
shipo = schip -- shiparo = vloot
gazeto = dag- of weekblad -- la gazetaro = de pers
homo = mens -- la homaro = de mensheid
juna = jong -- junulo = jongere -- la junularo = de jeugd
"shtuparo" is meer dan een aantal treden (de leuning hoort er bijvoorbeeld ook bij) -- "arbaro" is meer dan een aantal bomen (er groeien ook andere planten in een bos) -- "kamparo" bestaat uit meer dan velden -- "klavaro" is niet zomaar een stel toetsen -- "la gazetaro" zijn alle kranten als geheel -- "la homaro" zijn alle mensen samen.

-eg- = een (zeer) groot soort / in (zeer) hoge mate
-et- = een (zeer) klein soort / in (zeer) geringe mate
forko = vork -- forkego = hooivork -- forketo = gebaksvorkje
libro = boek -- librego = foliant, (reuze-) boekwerk -- libreto = boekje
pluvi = regenen -- pluvegi = stortregenen -- pluveti = motregenen
dormi = slapen -- dormegi = slapen als een blok -- dormeti = sluimeren, dommelen
bela = mooi -- belega = prachtig -- beleta = aardig om te zien

ek-
geeft het (plotselinge) begin van een handeling of toestand aan (in het Nederlands gebruiken we hiervoor vaak uitdrukkingen die bij letterlijke vertaling onzin opleveren):
labori = werken -- eklabori = aan de slag gaan
dormi = slapen -- ekdormi = in slaap vallen
ridi = lachen -- ekridi = in de lach schieten
kuri = rennen, hardlopen -- ekkuri = het op een lopen zetten
vidi = zien -- ekvidi = in het oog, in de gaten krijgen

Uiteraard kunnen verschillende voor- en achtervoegsels tegelijk gebruikt worden, als het maar iets betekent:
(Voor het gemak zet ik hier puntjes tussen de onderdelen van de woorden)
fremd.a = vreemd (niet-van-hier) -- fremd.ul.o = een vreemde -- fremd.ul.in.o = een vreemde (vrouw) -- fremd.ul.in.et.o = een klein meisje dat niet van hier is...
rid.i = lachen -- rid.eg.i = schaterlachen -- ek.rid.eg.i = in schaterlachen uitbarsten
shtel.i = stelen -- shtel.it.a = gestolen -- shtel.it.ajh.o.j = gestolen zaken
lern.i = leren -- lern.ot.a = (nog) te leren -- lern.ot.ajh.o.j = leerstof (de dingen die geleerd moeten worden)
kamp.o = veld -- kamp.ar.o = platteland -- kamp.ar.an.o.j = plattelanders, "boeren en buitenlui" -- kamp.ar.an.ec.a = als van een plattelander, "boers" -- zelfs: la kamp.ar.an.ar.o = de plattelandsbevolking (met tweemaal hetzelfde achtervoegsel)

Zie verder de woordenlijst.


... worden en ... maken -- gebeuren en laten gebeuren

Twee heel belangrijke achtervoegsels van het Esperanto zijn: -ig- en -igh-. Voor Nederlandse begrippen is hun werking na stammen van zelfstandige en bijvoeglijke naamwoorden iets anders dan na werkwoord-stammen.

Na zelfstandige en bijvoeglijke stammen kunnen we ze in het Nederlands vaak weergeven met "... maken" en "... worden", ook al gebruiken we gewoonlijk aparte werkwoorden:

pala = bleek, flets -- paligi = bleken (bleek, flets maken) -- palighi = verbleken (bleek worden)
pli granda = groter -- pligrandigi = vergroten (groter maken) -- pligrandighi = groter worden
varma = warm -- varmigi = verwarmen (warm maken) -- varmighi = warm worden

doktoro = doctor -- doktorigi = tot doctor maken, de doctorstitel verlenen -- doktorighi = promoveren, doctor worden -- doktorigho = promotie
vaporo = damp -- vaporigi = (laten) verdampen -- vaporighi = verdampen (damp worden) -- vaporigho = verdamping
grupo = groep -- grupigi = groeperen (een groep maken) -- grupighi = zich groeperen (een groep worden)

Bij werkwoorden ligt het -- uit Nederlands oogpunt -- iets anders. -ig- maakt van een "onovergankelijk" werkwoord een "overgankelijk" werkwoord; -igh- doet het omgekeerde. Een paar voorbeelden maken dit duidelijker:

rompi = breken (stuk maken) -- rompighi = breken (stuk gaan, min of meer vanzelf)
shi rompis la vazon = zij brak de vaas
tiu ovo rompighis = dat ei is gebroken (min of meer vanzelf stukgegaan)
maar: tiu ovo estas rompita = dat ei is gebroken (door iemand of iets stukgemaakt)

kreski = groeien -- kreskigi = doen/laten groeien
tiu arbo bone kreskas = die boom groeit goed
ili kreskigas siajn proprajn legomojn = zij verbouwen hun eigen groenten

boli = koken (op het kookpunt zijn) -- boligi = (laten) koken
atentu! la akvo bolas! = pas op! het water kookt!
mi boligos akvon por teo = ik zal water koken voor (de) thee

ruli = rollen (iets laten rollen) -- rulighi rollen (min of meer vanzelf)
mi rulis la pilkon al la muro = ik heb de bal naar de muur gerold
la pilko rulighis al la muro = de bal is (min of meer vanzelf) naar de muur gerold

shovi = schuiven (iets verschuiven) -- shovighi = verschuiven, opschuiven (min of meer vanzelf)
ni shovis la shrankon al la alia angulo = wij hebben de kast verschoven naar de andere hoek
li iom shovighis = hij is iets opgeschoven
maar: la shranko estas shovita al la muro = de kast is naar de muur geschoven (door iemand)

fini = (be)eindigen (een eind maken aan) -- finighi = eindigen (tot een eind komen)
ni finu la diskuton = laten we de discussie beëindigen, laten we een eind maken aan de discussie
la diskuto finighis = de discussie is geëindigd, afgelopen

fermi = sluiten, dichtdoen -- fermighi = dichtgaan
li fermas sian butikon je la sesa (horo) = hij sluit z'n winkel om zes uur
tiu butiko fermighas je la oka = die winkel sluit om acht uur

Bij een aantal werkwoorden hebben zowel -ig- als -igh- een betekenis:
kushi = liggen -- kushigi = neerleggen -- kushighi = gaan liggen

Het is dus van belang, te weten, wat precies de betekenis is van een werkwoord: "overgankelijk" (iets doen met iets; iets laten gebeuren) of "onovergankelijk" (min of meer vanzelf gebeuren; vanzelf zo zijn). Je moet gewoon leren, dat halti "stoppen = halt houden, stilstaan, ophouden met bewegen" betekent, en dus haltigi "stoppen = stopzetten, laten stilstaan, laten ophouden met bewegen". Er zijn wel wat ezelsbruggetjes, maar het beste helpt... goed opletten (of in een woordenboek of -lijst kijken).


vraagzinnen

Er zijn twee soorten vraagzinnen -- de "ja/nee- vragen" en de "wie/wat/waar- vragen".
In het Nederlands worden vragen, waarop het antwoord "ja" of "nee" is, gemaakt door de "persoonsvorm" van het werkwoord vooraan te zetten. In het Esperanto wordt voor de zin het woordje chu gezet. Een soort gesproken vraagteken, dus:

li legas libron = hij leest een boek
chu li legas libron? = leest hij een boek?
tiun libron li jam legis = dat boek heeft-ie al gelezen
chu tiun libron li jam legis? = heeft-ie dat boek al gelezen?
In het Nederlands kunnen we "dat boek" in de vraagzin niet vooraan plaatsen; in het Esperanto wel direct na "chu".
shi biciklis al Roterdamo = ze is naar Rotterdam gefietst
chu shi biciklis al Roterdamo? = is ze naar Rotterdam gefietst?
chu al Roterdamo shi biciklis? = is ze naar Rotterdam gefietst?

(Aan het begin van een bijzin is "chu" het Nederlandse "of": mi ne scias, chu shi biciklis al Roterdamo = ik weet niet, of ze naar Rotterdam is gefietst).

De vraagwoorden "wie - wat - waar - waarom - wanneer - welke", maar ook "hoe - hoeveel" beginnen in het Esperanto met een "k". "K-vragen" beginnen met het vraagwoord en hebben geen "chu" ervoor:

kie ili loghas? = waar wonen zij?
kiu skribis tiun leteron? = wie heeft die brief geschreven?
kiun libron vi legis? = welk boek heb je/hebt u gelezen?
kiel ili vojaghis al Moskvo? = hoe zijn zij naar Moskou gereisd?
kio kreskas tie? = wat groeit daar?
kiam shi venos? = wanneer komt zij?
zie verder de woordenlijst


waarom? -- daarom!

In het Nederlands hebben we de paren: waarom?/daarom!, wat?/dat!, wie?/die!, waar?/daar! en iemand/niemand, iets/niets, ergens/nergens, ooit/nooit. In het Esperanto is het een hele tabel geworden:









kio? = wat tio = dat io = iets nenio = niets chio = alles
kiu? = wie, welk(e) tiu = die iu = iemand, een of ander(e) neniu = niemand, geen enkel(e) chiu = ieder(e), elk(e)
kia? = wat voor een tia = zo'n, dat soort ia = een of ander soort nenia = geen enkel soort chia = alle soorten, allerlei
kiam? = wanneer tiam = toen, dan iam = ooit, eens neniam = nooit chiam = altijd
kie? = waar tie = daar ie = ergens nenie = nergens chie = overal
kial? = waarom tial = daarom ial = om de een of andere reden nenial = om geen enkele reden chial = om allerlei redenen
kiel? = hoe tiel = zo (op die manier) iel = op de een of andere manier neniel = op geen enkele manier chiel = op alle mogelijke manieren
kiom? = hoeveel tiom = zoveel iom = een of andere hoeveelheid, meestal: een beetje neniom = geen enkele hoeveelheid, niets (ervan) chiom = elke gewenste hoeveelheid, de hele hoeveelheid
kies? = wiens ties = diens ies = iemands nenies = niemands chies = ieders, elks

De serie ...io heeft betrekking op zaken (wat personen betreft, ook op beroep, functie...)
De serie ...iu heeft betrekking op identiteit (individu, exemplaar, keuze)
(kiu li estas? = wie is hij? (Jan Jansen) -- kio li estas? = wat is hij? (tandarts))
De serie ...ia heeft betrekking op eigenschappen, kwaliteit
De serie ...iam heeft betrekking op tijd
De serie ...ie heeft betrekking op plaats
De serie ...ial heeft betrekking op redenen, motieven
De serie ...iel heeft betrekking op de manier waarop, de mate waarin
De serie ...iom heeft betrekking op de hoeveelheid
De serie ...ies heeft betrekking op bezit

Zonder beginletter (io, iu,...) zijn ze onbepaald
Beginnend met k (kio, kiu,...) zijn ze vragend of betrekkelijk
Beginnend met t (tio, tiu,...) zijn ze aanwijzend
Beginnend met nen (nenio, neniu,...) zijn ze ontkennend
Beginnend met ch (chio, chiu,...) zijn ze alles-omvattend
Het lijkt wel een legpuzzel, ... maar, na een tijdje, zijn het voor de gebruiker gewoon gewone woorden...

Wanneer de k-woorden uit de tabel betrekkelijk worden gebruikt, worden ze in het Nederlands soms anders weergegeven:

kiu staras tie? = wie staat daar?
maar: la viro, kiu staras tie,... = de man, die daar staat,...
kiam li venis? = wanneer kwam hij?
maar: la tago, kiam li venis,... = de dag, dat/toen hij kwam,...
Maar wel, bijvoorbeeld:
kie li staras? = waar staat hij?
la loko, kie li staras,... = de plaats, waar hij staat,...
kies biciklo tie staras? = wiens fiets staat daar?
la knabo, kies biciklo tie staras,... = de jongen, wiens fiets daar staat,...
enz.
Het Esperanto is hier dus iets consequenter dan het Nederlands.



Wilt u zich wat meer voorbereiden, voordat u zich waagt
aan het "ontcijferen" van Esperanto-teksten?
Bestudeer dan "groep 1" van de basiswoordenschat.
Daarin vindt u de structuur-elementen van de taal.

Wanneer u op Internet Esperanto-teksten wilt lezen, is het handig te weten, dat er verschillende transcripties worden gebruikt voor de "dakjesletters".
Zo kan c-dakje worden weergegeven d.m.v. ch, (zoals hier) cx, ^c, c^, c', 'c...

Op veel pagina's worden de "dakjesletters" echter weergegeven zoals ze horen te zijn, d.m.v. "Unicode" -- of in "Latin-3"
d.m.v. Æ Ø ¦ ¬ Þ Ý ..., mits u (of uw browser) beschikt over "Latin3"-letters.
Die zijn, indien nodig, op verschillende plaatsen op Internet op te halen.
Onder andere via:
www.geocities.com/Paris/9231/xkonvenc.htm
waar ook iets meer over de verschillende transcripties (oorsprong, internationale normen, voor- en nadelen) is te lezen.


Een goed beginpunt voor Esperanto-surfen is: www.esperanto.net


[ uitspraak / spelling ]
[ telwoorden ] . [ voorzetsels ]
[ -o -oj ] . [ -a -aj ] . [ -e ]
[ -i -as -is -os -us -u ] . [ -n ] . [ -igh- -ig-]
[ mi vi li shi ghi ni ili oni ] . [ si ]
[ woordvorming ] . [ vraagzinnen ]
* * *
[ inhoud wfpilger ]



Sinds kort op Internet:
Esperanto-cursus voor Nederlandstalige beginners


 1