Hoofdstuk 6
Prediking in de moskee 1 Groot was Jezus' faam geworden, toen Hij weer in Brussel kwam. Alle mensen jubelden bij Zijn komst, en allen wilden Hem zien. 2 En om het rustiger te hebben, trok Hij zich terug in een moskee, om er tot de biddende moslems te spreken: 3 "Beseft dat gij allen Gods kinderen zijt, en dat gij God eer moet bewijzen." 4 Razend van woede kwam de imam echter op Jezus af en schreeuwde Hem toe: "Gij, smerige christenhond. Zij zijn geen kinderen van God, maar van Allah !" 5 Uit zelfverdediging antwoordde Jezus: "Maar zijn God en Allah geen twee namen voor één en dezelfde god ? 6 Is er dan een verschil tussen God en Allah ?" De imam wou niets van weten van Jezus' wijze antwoord. 7 Kwaad als hij was, verloor hij alle controle over zichzelf, en sloeg hij Jezus een bloedneus met zijn rechtse. 8 Lachend genas Jezus Zijn eigen wonde, en gaf de imam een harde mep onder de kin, zodat die tegen de grond smakte en roerloos bleef liggen. 9 Sidderend van ontzag, vielen alle moslems op hun knieën en loofden Jezus, in wie zij eindelijk de Messias herkenden. 10 Daar de imam nu buiten westen lag, kon Jezus rustig verder prediken tot de moslems in de moskee.
De dood van Matteus 11 Nadat Hij gedaan had met prediken, vervoegden Zijn apostelen Hem, en samen verlieten zij de moskee. 12 Maar een radicale islamiet, bezeten door de duivel, stortte zich op hen, gewapend met een dolk. 13 "Inch' Allah !" schreeuwde hij, en plofte zijn dolk in Matteus' hart. En even snel als hij gekomen was, verdween hij weer. 14 Ontsteld liep het volk samen rond Jezus, om te zien wat er was gebeurd. 15 Daar lag Matteus, dodelijk geraakt door de dolk van de islamiet. Al reutelend sprak hij tot Jezus: 16 "Aargh, Heer, wat een geluk dat ik nu mag sterven in Uw plaats. Want die dolk was voor U bedoeld." 17 En nadat hij die woorden had gesproken, stierf hij in de armen van de Mensenzoon.
Opwekking van Matteus 18 Jezus sprak: "Maar wie gaat er nu het eten klaarmaken als we weer thuiskomen, want dat kon hij zo goed ?" 19 Daarop liet Hij de menigte verwijderen, en ging naar het lijk van Matteus. 20 Hij trapte tegen Zijn dode apostel, terwijl Hij schreeuwde: "Sta op, luierik ! Wat ligt gij hier te lanterfanten ?" 21 En Matteus stond op, klagend dat hij zo stijf was. "Dat is van het sterven, Mijn jongen," zei Jezus, "Daar word je altijd stijf van." 22 De menigte, die dat allemaal had zien gebeuren, verheerlijkte God, omdat dat wonder was geschied.
De parabel der drie dieven 23 En Jezus sprak in deze gelijkenis tot het volk: "Een oplichter had drie zonen, en toen deze volwassen waren, zei hij hen: "Als gij mij waardig wilt zijn, ga dan en steel iets voor mij." 24 De drie zonen gingen allen op rooftocht. De ene zoon stal een radio in een winkel, maar werd betrapt. Hij kreeg drie maanden voorwaardelijk. 25 De andere zoon stal de auto van een oud vrouwtje. Maar hij kreeg berouw om zijn daad, en bracht haar de auto terug. 26 De derde zoon stal een videorecorder, maar hield die voor zichzelf. 27 Toen riep hun vader hen samen en legde hen deze vraag voor: "Wat hebt gij voor mij gestolen ?" Alle drie antwoordden hem: "Niets !" 28 De eerste zoon zei dat hij betrapt was, en kreeg een flinke uitbrander van zijn vader. 29 De tweede zoon legde uit hoe hij uit berouw had teruggegeven wat hij gestolen had. Zijn vader gaf hem een nog grotere berisping. 30 De derde zoon bekende dat hij wat hij gestolen had, voor zich had gehouden. 31 Zijn vader sprak tot hem: "Gij hebt u een waardige zoon van mij getoond, u maak ik tot mijn enige erfgenaam." 32 Voorwaar, Ik zeg u, hou altijd de naam van uw vader in ere."
De parabel van de hongerige kat 33 "En kent gij ook het verhaal van de hongerige kat ?" "Neen," antwoordde de menigte als één man. 34 En Jezus sprak: "Een kat had honger en beloerde een vogeltje, dat aan de rand van een vijver zat. 35 De kat wou het vogeltje opeten, maar zag dat dit op zijn beurt een rups beloerde. Daarom wachtte hij, tot de vogel de rups zou verslinden. 36 Het vogeltje wou de rups opeten, maar zag dat die op zijn beurt een blaadje ging opeten. Daarom wachtte het, tot de rups het blaadje zou opeten. 37 En de rups at het blad op, waarop de vogel hem verslond. De kat sprong naar de vogel, 38 doch deze vloog weg. En zo belandde de kat in de vijver. 39 Aldus zal het immer zo gebeuren: hoe sneller de vogel, hoe natter het poesje."
Jezus' ware verwanten 40 En terwijl Hij tot de menigte sprak, kwamen Zijn beide ouders naar Hem toe. Zij hadden Hem in geen jaren meer gezien. 41 Zijn vader sprak Hem toe: "Jezus ! Godverdomme ! Wat zit Gij hier te doen, jong ? 42 Ik dacht dat Gij nog steeds in Leuven op kot zat, maar nu hoor ik dat Gij gestopt zijt." 43 "Gij hebt genoeg op mijn kosten geleefd ! Kom, doet Uw haar af en gaat werken !" 44 Maar Jezus antwoordde hem: "Al drie jaar heb Ik uw huis verlaten, en al drie jaar leef Ik zelfstandig. 45 Maar laat Me nu met rust, want Ik verkondig de Blijde Boodschap." Jozef werd woedend. 46 "Hoe durft Gij zo'n toon aanslaan tegen Uw vader ?" gilde hij. Maar laconiek antwoordde Jezus: "Gij zijt Mijn vader niet, want Ik ben de Zoon van God." 47 Jozef begreep het plotseling en gaf Maria een lel op haar gezicht. "Vuile slet !" schreeuwde hij "Ik heb altijd al gedacht dat gij mij bedrogen had !" 48 Hij sleurde haar met zich mee, weg van Jezus en de menigte. Huilend riep Maria om genade. 49 En Jezus sprak: "Vrede op aarde, aan alle mensen van goede wil."
Terugkeer naar de Marollen 50 Nadat Hij er genoeg van had tot het volk te spreken, besloot Jezus Zich op een rustige plaats terug te trekken. 51 Met Zijn apostelen trok Hij naar de Marollen, waar Hij Zich thuis voelde. 52 Ze zochten er naar een plaats om te overnachten, maar nergens bleek er nog een hotel met voldoende vrije kamers te zijn. 53 Daarom leidde Hij hen naar een leegstaand huis, en zei: "Laten we dit pand kraken." 54 Onthutst sprak Petrus tot Hem: "Heer, dit huis is niet van ons; we hebben het recht niet er in te komen slapen." 55 Maar Jezus dacht daar niet zo over: "Dat huis staat hier om bewoond te worden door mensen, en niet door kakkerlakken." 56 En Hij beukte de deur van de woning in. "Voortaan zal dit huis onze woonst zijn." 57 Alle apostelen namen hun intrek in het pand, en Jezus zei tenslotte dit tot hen: "Weet dat het een zonde is, een bewoonbaar huis leeg te laten staan." |