te r  u   g




De autarkie van de geest


"No coward soul is mine
No trembler in the world´s storm-troubled sphere
I see Heaven´s glories shine,
And Faith shines equal arming me from Fear.
"

Dit schreef Emily Brontë (1818-1848) eens. Ik bewonder haar geestkracht, maar ben er nog lang niet achter hoe ze die heeft verkregen, somber als haar leven was, in een maatschappij die een dergelijke vrijheid van geest verre van waardeerde.
Toen ik voor mijn eindexamen Engels in een sneltreinvaart literatuur uit allerlei verschillende tijdperken had gelezen, kwam ik steeds meer tot het besef dat ik meer inzichten in het leven, ja zelfs levenswijsheden had opgedaan dan ik anders had gedaan in eenzelfde tijd van enkele maanden. Vervolgens diende de vraag zich aan, welke andere invloeden verder bepalend waren voor mijn geestelijke ontwikkeling en manier van leven. Shakespeare, Chaucer en Cleland hadden zich aan mij geopenbaard.
Ik ben van mening dat een mens pas gelukkig kan worden en voor een ander van nut kan zijn wanneer hij tevreden is over zichzelf. Het is dus nodig om je eigen beoordelingsstandaards te ontwikkelen, die redelijk zijn en die wanneer eraan is voldaan bij kunnen dragen tot de vorming van het zelfbeeld.
Dit klinkt natuurlijk allemaal wat hoogdravend en gemakkelijk neergeschreven, maar ik realiseer me wel degelijk dat er, om überhaupt dat geestelijke evenwicht, die apatheia, om maar even in stoïsche termen te spreken, te bereiken, een hele lange weg af te leggen valt, zeker voor mij, een zestienjarige die, nog maar net uit het ei, is begonnen de wereld om zich heen --we hebben het immers niet voor het kiezen-- in zich op te nemen.
Het filosofisch onderwijs, dat op deze school hand in hand gaat met het onderricht in klassieke talen, doet mij vaak genoeg inzichten herkennen waarvan ik niet eens wist dat er zich reeds semina in het diepst van mijn ziel hadden gevormd.
Maar niet alleen vreselijk modern denkende klassieke Romeinen (ik voel me net Lucilius) en razend ingewikkelde Grieken komen in aanmerking voor de verantwoordelijkheid voor de ontwikkeling van mijn rerum scientia tot nu toe.
Elke dag, elk uur leert men er wel iets bij. Geen enkele gebeurtenis, hoewel van tevoren gepland, loopt geheel volgens het in je geest (on)bewust gevormde model. Elke dag verandert je manier van waarnemen: panta rei, zelfs als het koud is ouden menei. Muziek, school, Sesamstraat en lectuur dragen bij tot mijn beeldvorming, aangezien ze alle informatie verschaffen.
Reeds toen ik klein was hebben mijn ouders mij wat taal betreft niet als een klein kind bejegend. Het sprak vanzelf dat je je probeerde te verheffen uit onwetendheid en je onderscheidde van anderen op grond van je eigen persoonlijkheid en opvattingen. Ik ben erg blij met het sterke gevoel van identiteit dat zich zo bij mij heeft gevormd en zich hopelijk nog verder zal ontwikkelen.
Dit alles zal vast een bijzonder zelfverzekerde indruk hebben gemaakt, maar niets is minder waar dan dat ik dat ook ben: ik laat me nog steeds onterecht beïnvloeden door de mening van anderen. De hoge prestaties en (schijnbare) voortreffelijkheden van de mensen om mij heen stel ik ook vaak als norm voor mijn eigen presteren en wanneer dan een vriendin van mij, altijd monter en kloek, ook eens een keer doodop is en zonder verdere inspanningen bereid is het lot zijn werk te laten doen, maakt dat haar voor mij des te beminnelijker: ik zie een zwakheid en daaraan trek ik mezelf omhoog: een vitium.
Zich door de verkeerde mensen laten beïnvloeden kan een verwoestende uitwerking op de geest hebben en de weg naar de wijsheid en verbetering voorgoed versperren. Imperatief is het dus een zodanig goed onderscheidingsvemogen te ontwikkelen, dat je alleen met hen omgaat aan wie je iets hebt en van wie je weet dat ze aan jou ook iets hebben: dum doces discis.
Of je levensstijl al dan niet aan je wordt opgedrongen door de omgeving hangt voor een groot deel af van het belang dat jij voor jou hecht aan een individuele opstelling in het leven.
L. Anneus Seneca (4 v. Chr. - 69 n. Chr.), een Romeins filosoof, zei dat één van de aspecten van de sapientia, de ware wijsheid, het beheersen van de gevoelens behelst.
Toffe peer, die Seneca, maar je emoties geheel onder controle krijgen is toch wel bijzonder moeilijk en vergt vreselijk veel tijd, meestal zelfs wel een heel mensenleven.
Volgens mij ben je altijd in ontwikkeling, net zoals je vanaf je geboorte al begint te verouderen.
Toen ik vier jaar oud was en op de kleuterschool zat, vroegen enkele "grotere meisjes" mij eens waarom ik daar maar in mijn eentje op één tegel stond en niet met andere kinderen speelde. Ik antwoordde wat mij van huis uit was meegegeven -- reeds toen wist ik kennelijk hoe ik de meeste garantie kon hebben op succesvol en productief functioneren -- en waarop ik graag wil voortborduren in mijn verdere leven: "Ik ben zelfstandig."

Vale.



Ad Ora Incerta*


Met zeventien jaar achter de rug en nog een heel leven voor je, is het niet gemakkelijk een uitgesproken mening te vormen over het leven in het algemeen en de mensheid en je eigen positie daarbinnen in het bijzonder. Tenminste, dat is míjn gewaarwording.
De weinige ervaring die ik in mijn nog korte leven heb opgedaan is gebaseerd op een rustig, prettig bestaan, slechts spporadisch afgewisseld door enkele in het bijzonder verheffende of pijnlijke incidenten. De wereldgebeurtenissen ervaar ik als een gonzen in mijn achterhoofd dat vermoeit, omdat het moeilijk is er orde in te scheppen. Temeer daar je je ervan bewust bent, dat het zelfs experts (ervarenen: experior, expertus sum) niet lukt.
Waar, als de praktijk haar niet verschaft, valt verder wijsheid uit te putten, dan uit boeken?
Op school leer je uit boeken. De oude geschiedenis is overgeleverd middels boeken. Dat het woord "boekenwijsheid" zo´n negatieve bijklank heeft, valt volgens mij onder meer te verklaren door je bij de bezitter ervan iemand voor te stellen die ondanks zijn uitgebreide kennis, opgedaan in het rijk van het Papier en de Inkt, wereldvreemd is, en, bij voorkeur, er niets van bakt in het leven.
Maar, om ervaring niet al te traumatisch te laten zijn, moet er toch van tevoren vergaarde kennis aan ten grondslag liggen.
In de bovenbouw van de middelbare school is het lezen geblazen. Iets wat door velen als negatief, maar ook door velen als positief wordt ervaren. Het handige namelijk van al dat lezen is dat je er door de ervaring van anderen nog eens wat van opsteekt ook. Of de kennis van een bepaald literair werk kan de sleutel vormen tot een heel web van referenties en verwijzingen, of een heel nieuw licht werpen op het leven en/of de mensheid.
Bij sommige schrijvers komen belangrijke filosofische en humanitaire kwesties aan de orde, zoals het onderscheid tussen goed en kwaad, schuld en onschuld, menselijkheid en onmenselijkheid binnen zoiets monsterlijks als de holocaust.
Eén zo´n schrijver, mij warm aanbevolen door mijn ouders, is Primo Levi (1919-1987).
Hij was een Italiaanse jood en heeft een jaar lang in Auschwitz gezeten, wat hem heeft bewogen tot het opschrijven van zijn herinneringen aan die tijd in zijn boek Is dit een mens, inmiddels een klassieker onder de kampbeschrijvingen. Levi geeft aan zijn verhaal een extra dimensie: een stelsel van morele waarden zet hij uiteen in zijn werk en vooral in zijn laatste, welk ik persoonlijk (samen met Is dit een mens) zijn beste boek vind: De verdronkenen en de geredden.
Het is een essaybundel die sterke parallellen vertoont met ander genoemd werk en waarin de morele dilemma´s zoals Levi die ervaart op een uiterst objectieve wijze worden uiteengezet.
Zo bespreekt hij "de grijze laag": een reeds bekende (beruchte) term die betrekking heeft op gevangenen met privileges, gevangenen die ten koste van andere gevangenen probeerden te overleven en zo óók daders werden: ze werden gelijk(gemaakt) aan hun onderdrukkers, aan wie ze een excuus verschaften om hen te verdelgen. De "satanische lach" achter de relatieve wapenstilstand van een voetbalwedstrijdje tussen de SS en een SK**, "de aasgieren van het crematorium": (...)het is zover, we hebben ons doel bereikt, jullie zijn het andere ras niet meer, het anti-ras, de grootste vijand van het Duizendjarige Rijk; jullie zijn het volk niet meer dat afgoden weigert. We hebben jullie met ons mee in de diepte getrokken. Jullie zijn net als wij, net als Kaïn, hebben jullie je broeder gedood. Kom maar, dan gaan we samen spelen(...).
Mij heeft het boek een verdieping van mijn normbesef, mijn besef van de scheidslijn tussen goed en kwaad, bijgebracht: een duidelijke uiteenzetting van wat het, onder de meest onmenselijke omstandigheden, inhoudt om een mens te zijn;
Het heeft me een nieuw inzicht in de "Lagerrealiteit" gegeven: de enkele geschetste scènes (zijn verhaal had Levi al gedaan in Is dit een mens) zie ik duidelijk voor me wanneer ik ze lees, in zwart, wit en grijs, zijn theorieën helder uiteengezet voor volgende generaties om er lering uit te trekken.
Ik heb dit enthousiasme over Levi´s uiteenzettingen in een vergelijking met Durlacher´s Strepen aan de hemel op zo´n dertig mensen getracht over te brengen middels een referaat en ik hoop dat ze ervan hebben geprofiteerd.
Gevoelens van verbittering, haat en zelfs boosheid zijn niet te vinden in Primo Levi´s werk. In zijn korte verhalen zit humor, en mijn beeld van hem was ookal voordat ik het in een gesprek met hem geschetst las, dat van een vriendelijke oude man, ironisch-begrijpend van houding, die veel glimlacht.
Zelf zei hij dat hij veel hield van het leven. Het motto echter van zijn laatste werk, een fragment uit Coleridges The Rime of the Ancient Mariner ("Since then, at an uncertain hour/ That agony returns/ And till my ghastly tale is told/ This heart within me burns."), suggereert dat zijn kampervaring hem, begrijpelijkerwijs, nog heel erg dwarszat. Levi vond de dood na een val in het trapgat van zijn ouderlijk huis en het is niet geheel onwaarschijnlijk dat het geen ongeluk was.


*"Ad ora incerta": de titel van een dichtbundel door Primo Levi
**SK: Sonderkommando: gevangenen ingezet om lijken naar de crematoria te brengen


n a a r  o m h o oog

© 1996, 1997 Clio Balázs 1