![]() |
Idyllisch gelegen op een heuvelachtig eilandje in het meer. Lago Petén Itzá, met een wirwar van hellende straatje en het hooggelegen kerkplein ( Plaza Central), is waarschijnlijk gebouwd op de resten van de Mayastad Tayasal. Nadat het doek was gevallen in Chichén Itzá, trokken de Itzá maya's zich in deze streek terug en wisten tot de 17e eeuw de Spaanse expedities het hoofd te bieden.
![]() |
Toen Cortés in 1524 tijdens zijn doorreis drie dagen in Tayasal doorbracht, werd hij hartelijk ontvangen door de laatste Maya-heerser van het Itzá volk, Can Ek. Toen hij het eiland verliet, schonk hij de Itzá's een kreupel paard dat niet verder meer mee op reis kon. Een paard hadden de indianen nog nooit gezien en dit "grote hert", zoals zij het noemden, gingen zij vereren als een god. Zij brachten het zilver, goud, bloemen en andere offers zodat het wel gauw verhongerd zal zijn. Rondom 1618 bezochten enige franciscaanse monniken de stad en troffen daar 12 tempels aan, waarvan in één een groot stenen beeld stond van een zittend paard met opgeheven voorbenen. Toen zij probeerden deze paardenafgod te vernietigen, werden ze door de bevolking verjaagd. Om verdere vernielingen aan het paard, dat "Tzimin Chad"genoemd werd, te voorkomen, wilde men het ergens op het vaste land verbergen. Toen men het beeld over het meer trachtten te transporteren, viel het in het water. Een ander verhaal verteld dat de franciscanen het beeld wel vernielden en de stukken in het water smeten. Hoe het ook zij, de indianen beweren dat je het paard bij rustig weer en als het water helder is nog steeds in het meer kunt zien liggen.
![]() |
Temidden van het regenwoud ligt de antieke stad Tikal, ooit het machtigste Maya-bolwerk op aarde. Omstreeks 900 gaat deze stad om onduidelijke redenen ten onder. In 1848 wordt Tikal overwoekerd teruggevonden Sommige tempels steken net boven de jungle uit. Ongeveer 30 jaar geleden is men begonnen met restauratiewerkzaamheden en er is nog maar een klein gedeelte blootgelegd, veel bouwwerken zijn nog helemaal bedekt en zien er uit als heuvels. Het werd in 1979 door de Unesco tot cultureel erfgoed van de wereld verklaard. De combinatie van natuur en cultuur bepaalt het karakter van Tikal, brulapen die hoog boven je van boom naar boom springen, een neusbeertje dat je pad kruist, je waant je er een ondekkingsreiziger.
![]() |
![]() |
![]() Museo Nacional de Antropologia Mexico-city |
Op speciaal aangelegde velden, begrensd door schuine, stenen muren, werd het legen- darische balspel gespeeld: juego de pelota in het Spaans, pok-ta-pok in de Maya-taal.
Hoewel het balspel sportieve elementen bezat, was het geen ontspannen tijdverdrijf. Het was een serieus ritueel dat de overwinning van de godentweeling Hunaphú en Xbalanque op de goden van de onderwereld symboliseerde. Hoe de Maya's op het balspeelveld deze strijd nabootsten is niet helemaal duidelijk. Taferelen op keramiek en reliëfs tonen een ongeveer 15 tot 30 cm grote gummibal en spelers met dikke, lederen beschermstukken rond ellebogen, schouders, heupen en dijbenen. Met deze lichaamsdelen moesten ze de bal in de lucht zien te houden en door een stenen ring aan de muur, of een ander symbool hoog boven de grond, zien te kaatsen. Het spel kende de nodige variaties. De gruwelijkste versie, waarbij de verliezers of de winnaars, dat is niet duidelijk, uiteindelijk ritueel werden geofferd, schijnt bij de Maya's niet vaak te zijn voorgekomen. Het is niet uitgesloten dat deze slotscčne door de Tolteken is geďntroduceerd.
Het balspel was een ceremonie, de mythologische overwinning van het goede op het kwade
![]() |
![]() |
Hemel, aarde en onderwereld vormden het universum en waren met elkaar verbonden door de levensboom. De ceiba stond model voor dit mythologische aspect. De wijdvertakte kroon van de ceiba representeerde de hemel, de naakte stam symboliseerde de aarde en de dikke wortels die in de bodem verdwijnen, vormden de schakels met de onderwereld.
Elke dag als de zon onder ging en het licht aan de hemel verdween, leek voor de Maya's de wereld letterlijk op zijn kop te staan. In de nacht hing de duistere onderwereld dreigend boven hun hoofd. Opgelucht en met respect begroetten ze elke morgen opnieuw de zon, het levenslicht.