Door onze ongetrainde pedaalridder
Na de Medische Begrippen
Nu ook
Fietstermen Voor
Den Leek Verklaard

Zoals in het eerste deel van dit verhaal reeds aangestipt, kwam in het Gezondheidscentrum onze privacy behoorlijk in het gedrang em daarom protesteerden wij aan de balie heftig tegen het in zo ruime kring openbaar moeten maken van de gezondheidstoestand van onze Thaise filosofe. Gelukkig was de medisch secretaresse (die overigens geen modieus jasje van Cardin droeg maar gewoon een eenvoudige buis van Eustachius) bereid ons verhaal in een apart kamertje aan te horen en daarna kon een afspraak worden gemaakt. Later die dag kwam de geneesheer, die op ouderwetse wijze bij onze filosofe de vinger aan de pols hield, vergeefs probeerde een aan zijn oren bevestigde zuignap aan haar rug te hechten, nog enige magische handelingen met lampjes, hamertjes en spiegeltjes uitvoerde en ons na dit alles gerust stelde met de mededeling dat het niets ernstigs was. Hij schreef een recept uit voor een pijnstiller die indertijd op Groenland was uitgetest en daar in orde was bevonden. Maar om dat Lapmiddel in ons bezit te krijgen, moesten we wel eerst naar de apotheek, die eveneens in het Gezondheidscentrum is gevestigd.

Ook bij de farmaceut moesten wij geruime tijd wachten, want men is daar tegenwoordig geautomatiseerd. Daardoor (er waren geen wachtenden vóór ons) duurde het inpakken en etiketteren van een voor de patiënte bestemd doosje met 20 stuks voorverpakte poeders carbasalaatcalcium, ofwel merkloze Ascal) wel een kwartier. Vóór het computertijdperk bij deze apotheker zijn intrede deed, vergde het inpakken en van een sticker voorzien van dit medicament hooguit zes minuten. Tijdens het wachten hadden wij ruimschoots de tijd om eens in die medicijnenwinkel rond te neuzen. Tot onze verbazing zagen we dat nu ook videobanden in het assortiment zijn opgenomen, zodat men in de eigen vertrouwde omgeving, knabbelend op een nootje en met een koud pilsje bij de hand, naar films over onder meer veilig vrijen en bevallen kan kijken. Zonder recept. Ook zagen wij een ideeënbus voor klachten, opmerkingen en suggesties, maar schrijfmateriaal waarmee de patiënt zijn ideeën zou kunnen spuien, was in geen velden of wegen te zien.

Dat was jammer, want wij hadden wel degelijk een opmerking, en die betrof niet zozeer de belachelijk lange wachttijd als wel de aanwezigheid van de voor het publiek bestemde pharmascoop. Wat mag dat wel wezen, een pharmascoop? Wel, dat is een apparaat met een kleurenbeeldscherm en een aantal knopjes, dat bij eerste aanblik veel lijkt op een videogame zoals die in speelhallen staan. Een mededeling op het scherm nodigt de gebruiker uit een toets in te drukken om zodoende informatie over ziekten, medicijnen en zelfmedicatie te verkrijgen. Als ervaren toetsindrukker hadden wij na ca. 75 seconden alle mogelijkheden die de pharmascoop te bieden heeft, op het scherm gezien en wat er te zien was, stelde niet veel voor, want de informatie was uiterst beperkt (griep, steenpuisten, hoofdluis en nog wat huishoudkwaaltjes) en menige optie bleek, als men hem koos, blanco. Als test probeerden we informatie over het geneesmiddel Melleril en het heilzaam effect daarvan op ejaculatio praecox (en dus ook op de jaarbalans van de fabrikant) op het scherm te krijgen, maar we hadden net zo goed de Tros kunnen bellen om ze te vragen wanneer ze van plan zijn een toneelstuk van Dario Fo op de buis te brengen.

Over de met de pharmascoop op te roepen onderwerpen liggen in diezelfde apotheek trouwens veel helderder en uitgebreidere folders, zodat het nut van het apparaat op zijn minst twijfelachtig is. Wij kunnen ons verder moeilijk voorstellen dat een ziek medemens, wachtend op zijn medicijnen, of een huisgenoot die poeders en/of pillen voor een familielid komt halen, behoefte heeft om op knopjes te drukken en naar een beeldscherm te staren. Eerst dachten we nog dat het beeldscherm verbonden was met de centrale apothekerscomputer (een netwerkverbinding heet zoiets) en dat die computer de pharmascoop aanstuurde, wat een voordelige manier van informatieverstrekking zou zijn geweest. Maar toen wij, nieuwsgierig als we zijn, door de luchtspleten van de pharmascoop naar binnen gluurden om te zien wat er eigenlijk in het binnenwerk zat, zagen we daar een complete pc met toetsenbord liggen, die daar alleen maar stoffig wordt en niets anders doet dan de hele dag hoogstens drie kantjes A4 op het beeldscherm te laten zien, als iemand daar tenminste zin in heeft en de juiste knoppen weet in te drukken.

Toen we weer buiten stonden, kwamen we Langerhans weer tegen. We zijn nog vergeten te vertellen dat Langerhans alles van fietsen weet en dat hij graag het stalen ros bestijgt om, bepakt en bezakt, door het land te toeren en rond te trekken. Langerhans was trouwens de beroemde trekker die ooit in de stromende regen langs een herberg reed en na lang aandringen van de eigenaar van dat etablissement besloot niet verder te rijden, maar in de herberg te overnachten. Trouwe lezers zullen zich herinneren dat we van dit voorval enkele maanden terug, onder het kopje Herbergier haalt trekker over, verslag hebben gedaan. We vroegen Langerhans, terwijl we het bij de apotheek afgehaalde doosje pijnpoeders in de zak stopten, hoe die geschiedenis in de herberg eigenlijk was afgelopen.

Wel, het bleek dat hij, na door de herbergier te zijn overgehaald, geheel doorweekt de gelachkamer binnenstapte, waar een knapperend houtvuur brandde. Aha! zegt u nu (als wij ons goed herinneren, zei u dat vorige maand ook al), het is toch gelagkamer en niet gelachkamer? O ja? En wat dacht u dan wat er, behalve de geur van veel geld, poeha en patserigheid, uit die kamer opsteeg toen de kletsnatte peddelaar in de deuropening verscheen, aangestaard door een meute aan de bar gezeten kurkdroge Mercedes- en BMW-bezitters met door overdreven autotelefoongebruik nog platgedrukte oorschelpen?

De van regenwater druipende fietser zette zich neer bij de open haard en liet, terwijl de muziek zachtkens een klassieker speelde, de behaaglijke warmte van het vuur tot zich doordringen. Op de tv waren net de wereldkampioenschappen kinderporno aan de gang en het zag er naar uit dat de Roemeense meiskes ook dit jaar weer de winaarstrofee in de wacht zouden slepen. De herbergier wierp nog een oud keukentrapje in de vlammen en toen dat tot trapas was ver- gaan, had de pedaalridder geen natte draad meer aan zijn lijf en besloot hij, om niemand van de aanwezigen verder op stang te jagen, maar weer eens op te stappen. Waarom, zo vraagt u zich wellicht af, staan in bovenstaande tekst de woorden klassieker, trapas en stang scheef? Wel, het betreft hier zogeheten wielertermen en Langerhans, die alles van fietsen weet, heeft ons nadrukkelijk gevraagd om in dit verhaal de door hem gebezigde specifieke fietswoorden en -uitdrukkingen goed te laten uitkomen. Vandaar dat wij ze hierboven (en ook hieronder) hebben gecursiveerd. (Met uitzondering van gecursiveerd dan, want dat is géén fietsterm). Langerhans, de enthousiaste fietser, besloot dus, toen hij was opgedroogd, weer eens verder te gaan.

Hij dankte de herbergier voor diens gastvrijheid, liep naar de garderobe waar de jasbeschermer hem zijn regenpak overhandigde, vroeg de bagagedrager of deze even zijn loodzware rugzak naar buiten wilde sjouwen en verliet de herberg. Als niemand nu maar aan zijn fiets had gezeten, hoopte hij, want laatst hadden onverlaten er allerlei onderdelen afgesloopt, waardoor hij een flinke zadelstrop had en twee banden lichter was geworden. Maar toen hij buiten stond, zag hij direct dat zijn dure fiets niet meer stond waar hij hem had neergezet. 'Waar is mijn fiets? vroeg de trekker in paniek aan de witkiel. 'Ik geloof dat uw rijwiel achter ligt', antwoordde de man, en inderdaad, nog net zag hij hoe een wegstuivende luxe limousine zijn vederlicht, grotendeels uit Reynolds 753 en andere moderne metaalmengsels vervaardigd supersportrijwiel met kostbare Campagnolo derailleur, plat reed en daarna tot achter de herberg meesleurde.

Enkele dauwtrappers kwamen nieuwsgierig naderbij. Verbijsterd vroeg de trekker zich af wat hij nu aan zijn fiets had hangen. Dit tragisch voorval stak, wat zijn plannen betrof, een flinke spaak in hel wiel en met afwezige blik keek hij naar wat er van zijn karretje over was. Hij hoorde zelfs niet hoe in de tuin van de herberg de buitenband een nieuw deuntje inzette en het balhoofd de polonaise aankondigde. Tja, dat was uiterst vervelend voor Frans (want zo heette onze fietsende trekker: Frans Langerhans), want zó toerde Frans nog vrolijk door het land, en zo was er opeens een wreed einde aan zijn velodroom gekomen.

Gemeen spul
Verdwaasd liet Frans zich door de herbergier weer naar binnen brengen en toen hij bij zijn positieven was gekomen, bevond hij zich in een gecapitonneerde, geluiddichte suite. Aan de muren hingen zwepen, riemen en lederen kleding en hij, fietsfanaat, voelde zich hier aanvankelijk allesbehalve op zijn gemak. Waar ben ik nu mee opgezadeld?, vroeg hij zich verbijsterd af. Maar gelukkig ontdekte hij in een hoek van het vertrek een kettingkast en toen hij die opende, zag hij op de planken, netjes gesorteerd, niet alleen kettingen liggen maar ook gemeen uitziende doortrappers en terugtrapijzers, snelbinders, zeer sadistische toeclips oftewel teenklemmen en knijphendels, welk woord ook wel als knijfendels wordt geschreven.

Naast de kast stond een pedaalemmer waarin zich een venijnig sissende ventielslang bleek te bevinden. Geschrokken sloot hij vlug de emmer, legde zich neer op het comfortabele bed, ontdekte op de muur een reflector die haastig achter een afbeelding van Vittorio de Sica wegkroop, stak een Gitane op, bladerde in een oud nummer van Het Kettingblad en trok vervolgens nieuwsgierig aan de bedieningskabel naast de sponde. Kort daarop verscheen het kamermeisje Geertruida, een uit Noord-België afkomstige, zeer dikke en aan hepatitis lijdende juffrouw, die dan ook de bijnamen Gele Trui en De ronde van Vlaanderen droeg. Frans had wel lust deze dikke deerne, die over een ideale zadelhoogte beschikte, het bed in te trekken, maar wie weet zou zij verzet bieden, zich gecranckt voelen of anderszins de standaardtegenwerking bieden die hij gewend was en dus besloot hij maar van zijn voorgenomen piemelverzetje af te zien. Ronde Trui maakte hem er nog wel op attent dat op de kamer niet gerookt mocht worden, waarna Frans de sigaret in de asbak legde en er verder geen aandacht meer aan besteedde. De peuk smeulde nog een tijdje na en ging tenslotte, net als dit verhaal, als een nachtkaars uit.

Terug

1