Italië vóór de éénmaking
Op deze pagina worden de verschillende staten en stammen die Rome 'ontmoette' op weg naar de éénmaking van Italië besproken: in het noorden botsten de Romeinen op de Etrusken en de Galliërs, in het zuiden heersten de Griekse kolonies en tussenin lag een lappendeken van elkaar (en Rome) bevechtende bergstammen.
Italische bergstammen
Uit de Villanoviërs ontstonden een ganse rits 'Italische stammen' die voortdurend elkaars grondgebied betwistten: Latini, Sabini, Aequi, Samnites, Volsci,... Hiervan bleken de Samnieten de moeilijkste klant op weg naar de hegemonie over Italië. Pas na 70 jaar en 4 oorlogen legden ze zich neer bij het Romeinse overwicht. Ook de Latijnen, de stamvaders van de Romeinen, accepteerden de Romeinse heerschappij niet zonder slag of stoot. Hoewel Rome reeds in de koningtijd een leidende rol had in de Latijnse Stedenbond, duurde het tot 340 vooraleer Latium definitief Romeins grondgebied werd.

De Etrusken
De opkomst van de Etruskische beschaving omstreeks 750 v. Chr. was zeer plotseling. Schijnbaar overal tegelijk verscheen een volk dat steden bouwde ipv dorpen. Ze schreven en spraken een taal die in niets leek op de bestaande talen van de oude wereld, al was hun alfabet wel ontleend aan het Grieks. Het waren krijgers en zeelieden, maar ook kooplieden en ervaren metaalbewerkers. Ruwe ertsen en afgewerkte metaalproducten verhandelden ze met Griekenland, met de Griekse kolonies in Zuid-Italië, Sicilië en Ionië en met de Fenicische havens in Noord-Afrika, Cyprus en Spanje.
De Etrusken (zelf noemden ze zich Rasennae, de Grieken noemden hen Tyrrhenoi) stichtten een snel expanderend rijk - zowel op militair als op industrieel gebied. Ze hadden een gevreesde zeemacht (wat er uiteindelijk zelfs toe geleid heeft dat dat deel van de Middellandse zee waar ze heer en meester waren, naar hen genoemd werd: de Tyrrheense Zee), en waren een tijdlang ook op het land zo goed als onoverwinnelijk. Hun infanterie gebruikte een van de Grieken overgenomen phalanx-formatie. De Etruskische infanteristen hadden echter een 'geheim wapen': stevige leren schoenen die met veters rond de enkel vastgemaakt werden. Het is goed mogelijk dat de Etrusken meer veldslagen wonnen door hun schoenen dan door hun wapens. Op het hoogtepunt van hun macht (600-500 v. Chr.) beheersten de Etrusken geheel Noord-Italië (van iets ten zuiden Venetië aan de Adriatische Zee, tot de Tyrrheense Zee; ten westen van de Apenijnen domineerden ze het ganse centrum van het schiereiland) en maakten zich omstreeks 535 v. Chr. meester van Corsica.
Met de Etrusken ontstond de eerste echte beschaving in Italië. Qua taal, cultuur, godsdienst, gebruiken verschilden ze totaal van de Italische volksstammen. De herkomst van de Etrusken is één van de grootste raadsels van de menselijke geschiedenis. Hieromtrent bestaan 3 gangbare opinies:
Volgens de Romeinse en Griekse geschiedkundigen zijn de Etrusken afkomstig uit Lydië in Klein-Azië en kwamen zij rond 900 BC per schip in Italië aan. Bewijzen hiervoor zijn de (mogelijk) oosterse invloeden in hun godsdienst, de bijna natuurlijke invloed van de Griekse cultuur en de overeenkomst van hun taal met het Lemnisch (de taal die gesproken werd op het eiland Lemnos).
Theodor Mommsen verdedigt in zijn Romeinse Geschiedenis het standpunt van Titus Livius dat de Etrusken vanuit het noorden naar Italië gekomen, en hierbij de Raetische Alpen (waar de oudst bekende inheemse bevolking tot in de historische tijd Etruskisch sprak) zijn overgestoken. Mommsen situeert het thuisland van de Etrusken dan ook ten noorden of ten westen van Italië. Als bewijs haalt hij aan dat het lage cultureel niveau van de eerste sporen van de Etrusken in Italië niet met een immigatie over zee te verenigen zijn en dat de eerste Etruskische steden diep in het binnenland lagen.
Een derde standpunt ter zake stelt dat de Etruskische beschaving zich in Italië zelf ontwikkelde uit de aanwezige Villanova-cultuur. Een bewijs hiervoor wordt gevormd door de sporen van vroegere nederzettingen onder nagenoeg elke Etruskische stad.
Eén zaak is echter zeker: men kan niet zonder meer zeggen dat de Villanoviërs de voorouders zijn van de Etrusken, maar de Villanova-cultuur leverde wel de fundering voor de Etruskische beschaving, die veel van haar vaardigheden, gewoonten en geloof overnam en verfijnde.

De Cisalpijnse Galliërs
In dezelfde tijd dat de Villanoviërs (de voorvaderen van de Romeinen en misschien ook van de Etrusken) Italië binnenstroomden, drongen achter hen de Kelten Europa binnen en vestigden hun hoofdzetel in het huidige Frankrijk. Van daaruit trokken ze naar de Britse eilanden en naar het Spaanse schiereiland, waar ze slag leverden met de Iberische stammen. Bij hun eerste grote volksverhuizing lieten ze de Alpen links liggen en trokken doorheen de Balkan tot over de Bosporus, een beweging die hen tot de schrik van alle Oude Beschavingen maakte.
Vanaf 500 v. Chr. baanden ze zich een weg door de natuurlijke versperring van de Alpen en kwamen in botsing met de Etruskische kolonisten in Noord-Italië. De Keltische stammen ontrukten de ene stad na de andere aan de Etrusken en beheersten al gauw de Po-vlakte. Deze streek werd later door de Romeinen Gallia Cisalpina genoemd - Gallië aan deze zijde van de Alpen - en werd door hen niet als een deel van Italië beschouwd.
De Kelten verkozen het herdersleven boven de landbouw (zelfs in de vruchtbare Po-vlakte), het verplaatsbare bezit (goud) boven het stuk land. Ze worden wel eens de beste soldaten van de oudheid genoemd, maar een hecht burgerlijk bestuur ontbrak hen volledig. Dit verklaart het feit dat ze nagenoeg alle staten van de oudheid omver geworpen hebben en er niet één hebben gesticht.
Dit gebeurde ook in Noord-Italië: hun onophoudelijke aanvallen vernietigden de Etruskische macht en stelden niets in de plaats. Het ontstane machtsvacuüm kon geleidelijk door Rome opgevuld worden, daar waar Etrurië op het toppunt van zijn macht nooit door Rome verslagen kon worden (getuige daarvan de overwinning van Lars Porsenna in 507). Hoewel de Galliërs in 390 BC Rome totaal verwoestten, hebben de Romeinen hun eerste stap in de richting van de wereldheerschappij (zich losmaken uit de Etruskische greep, en het daarna onderwerpen) aan hen te danken.

De Griekse kolonies
Omstreeks 800 v. Chr. bundelde het Griekse vasteland haar krachten voor de grote uitbarsting van creatieve energie die haar Gouden Tijdperk zou worden. Tussen 775 en 550 v. Chr. ontstaan Griekse steden in alle landen rond de Middellandse Zee. Een eerste groep steden werd gesticht omstreeks 750 BC. Later stichtten deze steden hun eigen kolonies, terwijl terzelfdertijd een tweede kolonisatiegolf vanuit Griekenland op gang kwam.
Aanvankelijk werden er enkel factorijen gesticht om handel te drijven met de plaatselijke bevolking. De Grieken vonden er graan en metalen en verkochten wijn, olie, keramiek, stoffen en parfums. Later werden deze bescheiden nederzettingen vervangen door echte steden die politiek onafhankelijk werden van hun Griekse moedersteden en de Italische stammen in hun omgeving onderwierpen. De Griekse steden in Zuid-Italië werden zo welvarend dat men de streek Magna Graecia ('Groot Griekenland') noemde. De Griekse steden die een belangrijke rol zouden spelen in de Romeinse geschiedenis waren Cumae en Capua (tijdens de Samnitische Oorlogen); Tarentum, Heraclea, Rhegium en Thurii (tijdens de oorlogen met Pyrrhus); Syracuse, Messana en Segestum (tijdens de Eerste Punische Oorlog)
