|
anti-dries: [zelfst.nw.] - uitleen-boycot (meestal van toepassing op één persoon)
Toen de voorzitter van de schaakclub bij geen der leden meer om een fiets
hoefde te komen, verzocht hij op de ALV om opheffing van het algehele anti-dries
dat tegen zijn persoon van kracht leek te zijn.
betpeter: [zelfst.nw.] - bij het onbehoorlijke af eigenwijs individu; wijsneus.
Op het congres van vooraanstaande sterrenkundigen wekte een jonge assistent
in opleiding, een echte betpeter, grote ergernis door voortdurende interrupties,
waarvan de ene helft begon met "I was just wondering..." en de andere helft met
"Nevertheless I guess...".
cobbig: [bijv.nw.] - het midden houdend tussen koppig en koddig; stug.
Ondanks de lacherige blikken van zijn clubgenoten bleef de schaker cobbig
volhouden dat hij ieder willekeurig clublid met vluggertjes naar Noordwijk
zou kunnen jagen.
gnieden: [werkw.] - onbekommerd luieren en helemaal niets hoeven; lantefanteren.
De jongeman had eigenlijk naar de spannende bergetappe willen
kijken, maar al gniedend op de bank kon hij het maar niet
opbrengen om zich uit te strekken naar de afstandbediening op
tafel. Zo werd het een middagje MTV.
koosjer: [bijv.nw.] - overmatig vet (meestal in verband met voedsel), ranzig
Door plotselinge onwelheid van twee spelers kon het team van
de Spassky's maar met zes man opkomen, hetgeen onverhuld werd
toegeschreven aan het nogal koosjere maal dat vooraf was
genuttigd: een gefrituurd stuk zwoerd, in smeltjus
rondzwemmende aardappelkroketten en witlof-met-spek.
raoulewapper: [zelfst.nw.] - meestal in de samenstelling help - uiterst
onnozele sequentie van handelingen; blooper
De wedstrijd was koud een paar minuten oud toen de spelers
verschrikt opkeken: aan het laatste bord had de zwartspeler
een enorme helpraoulewapper geproduceerd, een klassiek stikmat
vormde de slotstelling.
rolf: [zelfst.nw.] - alleen in de uitdrukking een rolf in
schaapskleren -
De schijnbaar vriendelijke interviewer bleek een echte rolf
in schaapskleren: hij verdaaide de woorden van de sympathieke
jongenam zodanig dat het leek alsof deze baarlijke nonsens had
uitgekraamd.
stolks: [zelfst.nw.] - niet aflatende maalstroom van koeterwaals,
apekool en lariekoek; gewauwel.
De meeste mensen moeten even met een aspirientje op bed gaan
liggen als er een half uur lang stolks in hun oren is
getoeterd.
thalen: [ww.] - onstopbaar verlangen naar alcoholische
versnaperingen
De speler aan bord 6 was thalende, hij bracht meer tijd aan de
bar door dan aan zijn bord.
verjanselen: [werkw.] - op onnavolgbare wijze wegblunderen;
verprutsen.
Het was vreselijk. Al na tien minuten had de speler aan bord 5
twee lopers en een toren verjanseld.
Henk van Putten
APOCRIEF:
JM-er: [zelfst.nw] - zeilboot gebruikt voor illegaal gokken in
binnenwateren.
Toen de JM-er de boei rondde, vlogen de fiches in de rondte.
plagiansen: [werkw.] - zonder toestemming voortborduren op
andersmans ideeën.
Het stukje van Henk voor het clubblad was een fraai staaltje
plagiansen.
Russische raoulette: [zelfst.nw] - het zonder
voorbehoedsmiddelen bedrijven van de liefde.
Russische raoulette leidde ertoe, dat er wederom een dochter
geboren werd.
|
|