|
Een bekende Spassky
December 1997. Wij zouden samen naar Amsterdam reizen, omdat Peter misschien mijn kamer
wilde overnemen als ik weer in Groningen ging werken. Wij liepen naar het station en hoewel het
volstrekt toevallig was, gebeurde er vlak voor wij dat bereikten iets onverwachts. Bij de
museumbrug stopte een luxe auto, waaruit (toenmalig) burgemeester Ouwekerk en zijn vrouw
stapten, die richting het Groninger Museum begonnen te wandelen. Toen ze op een paar meter
van ons waren genaderd groette de burgemeester Peter uiterst joviaal. Voor mij een donderslag
bij heldere hemel, maar Peter leek het de normaalste zaak van de wereld te vinden. "Hai Hans"
groette hij terug, voor mijn gevoel haast een tikje blasé. Toen ze buiten gehoorafstand waren
vroeg ik Peter zo neutraal mogelijk: "Zeg, kent de burgemeester jou?" "Ja" zei Peter,
"sterrenkunde is zijn grote hobby. Maar het is een vreselijke amateur hoor."
In Amersfoort moesten we overstappen. Op zoek naar een zitplaats liepen wij langs de eerste
klasse. Opeens was ik Peter kwijt. Ik liep een paar passen terug en zag dat Peter was blijven
steken bij een van de zespersoons-cabines, waar hij tot mijn niet geringe verassing een praatje
aan het maken was met niemand minder dan Harry Mulisch. Toen hij mij zag rondde hij het
gesprek af met de woorden: "Harry, ik moet verder. We bellen". "Ja, ik bel je zeker",
haastte
Mulisch zich, "dat is een interessante theorie over dat computertje van Hawking". En hij hief
zijn
pijp in de lucht ten teken van afscheid. Ik kon bijna niet wachten totdat we weer in de tweede
klasse waren. "Zeg, kent Mulisch jou nou ook al?", vroeg ik, nu zonder verder pogingen te
doen
mijn verbazing te onderdrukken. "Ja" sprak Peter en deze keer liet hij een toelichting zelfs
achterwege. Ik dacht dat ik ontplofte. "Welja", antwoordde ik, "de koningin kent jou
zeker ook".
"Ja", zei Peter, "die ook".
Maar dat wilde ik toch niet geloven. Bij de presentatie van het nieuwe kabinet
in het volgend voorjaar namen wij allebei vrij om voor dag en dauw naar Den Haag te reizen.
Wij bemachtigden een plaatsje vooraan bij het bordes, waar later op de dag de koningin samen
met haar nieuwe ministerraad hun opwachting zouden maken. Toen het eindelijk zo ver was had
ik kramp in al mijn ledematen, maar Peter was opmerkelijk kwiek toen hij besliste: "Wacht jij
hier, dan ga ik hare majesteit groeten en zul je zien dat ze me kent". Tegen de bij de trap
postende adjudant hoorde ik Peter nog zeggen: "Ja, wij kennen elkaar". Doch dat viel volkomen
in het niet bij wat er bovenaan het bordes gebeurde. Nog voordat Perer de bovenste trede had
bereikt, zag ik tot mijn stomme verbazing hoe de koningin haar nieuwe ministers opeens de rug
toekeerde en enthousiast op Peter afsnelde. Trouwens, het was duidelijk dat ook voor de
herkozen minister-president Wim Kok Peter geenszins een onbekende was. "Ha die Peter!" riep
hij; half door de microfoon en duidelijk hoorbaar voor het duizendkoppige publiek. Al met al een
opvallend tafereeltje waarvan een journalist het zijne wilde weten. En omdat hij Peter bij mij had
zien wegglopen kwam hij op mij af. "Zeg jij daar" begon hij, "kun jij mij misschien vertellen
wie
toch die vrouw daar is, tussen Wim Kok en Peter van Dokkum in?".
Henk van Putten
|
|