Uitstel voorgenomen huwelijk
door inbreng Burgerzaken van
Stadsdeelkantoor Amsterdam-Noord

Nadat in september 2003 was vastgesteld dat mijn uit Thailand afkomstige partner (met wie ik sinds 2001 een gezamenlijke huishouding voer) zwanger was, namen wij in december 2003 het besluit te trouwen. Ik had al vernomen dat aan het trouwen met een buitenlandse partner nogal wat administratieve haken en ogen zitten dus belde ik eind december 2003 met Burgerzaken om meer informatie. Bij die gelegenheid werd mij door een medewerkster de procedure uitgelegd en werd ook verteld dat in elk geval nodig was een ongehuwdverklaring van mijn partner. Mijn partner heeft zo'n verklaring, want dat document had ze ook aan de autoriteiten moeten laten zien toen zij in 2001 naar Nederland kwam om zich bij mij te voegen. Maar Burgerzaken vertelde vervolgens dat die ongehuwdverklaring niet ouder dan 6 maanden mocht zijn. Dat was een tegenvaller, want het exemplaar waarover mijn partner beschikt, is inmiddels al veel ouder dan die zes maanden.

Ons huwelijk moesten we dus uitstellen. En het zag er niet naar uit dat we op korte termijn over een nieuwe ongehuwdverklaring zouden kunnen beschikken, want zo’n verklaring moet in Thailand worden afgegeven, is in de Thaise taal gesteld en dient dus eerst officieel te worden vertaald. Daarna moet de vertaling door het Thaise ministerie van Foreign Affairs in het circa 700 kilometer zuidelijker gelegen Bangkok worden gelegaliseerd en tenslotte dient het document ook nog eens door de Nederlandse ambassade in Bangkok te worden gelegaliseerd. Een voor leken ingewikkeld en tijdrovend karwei dat vele dagen in beslag neemt, zoals ik uit eigen ervaring weet, en bijna onmogelijk voor de in Thailand wonende familie van mijn partner waarvan de meesten nooit in Bangkok zijn geweest en die niet weten welke wegen ze zouden moeten bewandelen. En zelf naar Thailand reizen om de ongehuwdverklaring in orde te maken, was vanwege de zwangerschap van mijn partner geen haalbare kaart.

Een paar maanden later besloot ik nog eens met Burgerzaken te bellen, want ik vond het eigenlijk toch wel erg vreemd dat mijn partner (met wie ik sinds 2001 onafgebroken samen een huishouden in Amsterdam voer) een nieuwe verklaring nodig had om aan te tonen dat ze ongehuwd was. Ze was immers, sinds de vorige ongehuwdverklaring was afgegeven, niet meer in haar geboorteland geweest, dus hoe zou ze daar dan in de periode daarna hebben kunnen trouwen?

Op vrijdag 5 maart 2004 sprak ik daarom telefonisch met een mannelijke medewerker van Burgerzaken (ik heb niet naar zijn naam gevraagd omdat hij me helder en duidelijk te woord stond en ik geen reden had om aan zijn woorden te twijfelen) die mij meedeelde dat een recente ongehuwdverklaring (niet ouder dan 6 maanden) van de buitenlandse partner nodig is om het sluiten van schijnhuwelijken tegen te kunnen gaan.

Enkele dagen na dit telefoongesprek kregen wij bericht uit Thailand dat de moeder van mijn partner haar toeristenvisum voor Nederland had gekregen. Wij hadden haar uitgenodigd voor familiebezoek, zodat zij eind april bij de geboorte van ons kind aanwezig zou kunnen zijn. Moeder zou dan tevens een nieuwe ongehuwdverklaring kunnen meenemen, die wellicht hier in Nederland door een beëdigd vertaler zou kunnen worden vertaald. Ik besloot Burgerzaken nogmaals te bellen of een in Nederland officieel vertaalde ongehuwdverklaring geaccepteerd zou worden.

Op dinsdag 9 maart belde ik daarom voor de derde keer met Burgerzaken over dit onderwerp waar mij dit keer echter tot mijn grote verbazing werd verteld dat er in ons geval helemaal geen ongehuwdverklaring nodig was om een huwelijk te sluiten!

In eerste instantie dacht ik dat de mevrouw die mij dit meedeelde niet goed bij haar hoofd was. Als twee verschillende medewerkers van Burgerzaken mij meedelen dat een ongehuwdverklaring wel degelijk nodig is en dat die verklaring alleen geldig is als hij niet ouder is dan zes maanden, dan neem ik dat voor waar aan natuurlijk. En als er dan iemand komt die het tegendeel beweert, dan ben je in eerste instantie geneigd om die iemand voor gek te verklaren. De mevrouw bleef echter bij haar bewering en haalde er een collega bij die me eveneens telefonisch verzekerde dat een ongehuwdverklaring niet nodig was, omdat mijn partner al sinds december 2001 in de basisadministratie/ het bevolkingsregister van Amsterdam (Noord) bij mij staat ingeschreven.
(Dat ik met mijn partner al sinds2001 een gezamenlijk huishouden voer, had ik trouwens ook verteld toen ik informatie vroeg bij degenen die mij meedeelden dat wij wel een ongehuwdverklaring van hooguit 6 maanden oud nodig hadden.)

Ik wist nu niet meer wie ik moest geloven en stuurde daarom dezelfde dag (9 maart) een mailtje naar het Stadsdeelkantoor Amsterdam-Noord (post@noord.amsterdam.nl) om opheldering. Op 16 maart reeds ontving ik het volgende antwoord:

Geachte heer Rawbear,
Indien u met uw partner S. Channgam een huwelijk wilt aangaan, dient u eerst toestemming van de Dienst Vreemdelingenpolitie te vragen. Deze toestemming wordt via ons kantoor aangevraagd, middels een door u en uw partner ingevuld formulier.
De Vreemdelingendienst noemt dit een M-46 formulier. De gemiddelde behandelingstijd van deze aanvraag is 4 weken. Na deze toestemming kunt u een ondertrouwafspraak maken. Tussen ondertrouw en huwelijk moet u 2 weken wachten, dus de snelste behandeling van uw huwelijksaanvraag is 6 weken totaal.

In te leveren stukken:

Een verklaring ongehuwde staat is inderdaad niet nodig.
Met vriendelijke groet,

H.C.Molleman,
ambtenaar van de burgerlijke stand
.

Nu had ik dan eindelijk zwart op wit dat die ongehuwdverklaring in ons geval helemaal niet nodig was. Mijn partner en ik hadden dus allang getrouwd kunnen zijn als die medewerkster van Burgerzaken mij eind 2003 niet verkeerd had voorgelicht (welke verkeerde informatie op 5 maart 2004 nog eens werd herhaald door een andere medewerker.) En als ik correct was voorgelicht, dan hadden we ook diverse extra handelingen niet hoeven doen die met de komst van onze baby te maken hebben, zoals het erkennen van de ongeboren vrucht, het aanvragen van het gezamenlijk ouderlijk gezag enzovoorts.

De namen van die medewerkers heb ik indertijd niet gevraagd omdat daar geen reden toe was. Ik werd voorkomend behandeld en ze waren zo stellig in hun uitlatingen dat ik zonder meer aannam wat ze beweerden. De namen van de medewerkers die mij op 9 maart telefonisch meedeelden dat wij geen ongehuwdverklaring nodig hadden, heb ik echter wel gevraagd omdat ik niet kon geloven dat zij het bij het rechte eind hadden (wat dus wel het geval bleek).

Nu bleek dat mijn partner geen nieuwe ongehuwdverklaring nodig had, konden we dan eindelijk met Burgerzaken een afspraak maken voor het invullen van het M-46 formulier ten behoeve van de Vreemdelingenpolitie. Op 30 maart 2004 om 10 uur waren wij present op het Stadsdeelkantoor en wij hadden uiteraard alle in het e-mailbericht van de heer of mevrouw Molleman genoemde documenten bij ons.

Wij hadden (omdat het de aanzet tot onze ondertrouw en huwelijk betrof) eerlijk gezegd gerekend op een ontspannen en enigszins feestelijk bezoekje aan het Stadsdeelkantoor. Maar het pakte helaas anders uit.
Toen ik de echtscheidingsakte betreffende mijn eerdere huwelijk op tafel legde, vroeg de medewerkster van Burgerzaken die ons te woord stond, tot mijn bevreemding ook naar de akte van inschrijving van de rechterlijke uitspraak van mijn echtscheiding.
"Die heb ik niet meegebracht", antwoordde ik, "want die was niet nodig"
"Die is wel nodig" zei de medewerkster van Burgerzaken.
"Nee hoor", zei ik, "die is niet nodig, want die stond niet op het lijstje dat ik zwart op wit per e-mail van uw collega Molleman heb gekregen." En ik citeerde wat er allemaal in dat lijstje werd genoemd.
Ze wilde echter niet luisteren en herhaalde opnieuw op bepaald onvriendelijke toon dat ik de akte van inschrijving van de rechterlijke uitspraak van mijn echtscheiding had moeten meenemen en niet de akte van echtscheiding zelf.

Ik was flabbergasted. Ons voorgenomen huwelijk had al vertraging opgelopen omdat de ene medewerker van Burgerzaken iets beweerde, terwijl een andere medewerker vervolgens iets heel anders beweerde en nu kregen we opnieuw die idioterie: de ene medewerker (Molleman) zegt zwart op wit dat ik mijn echtscheidingsakte moet meenemen en een andere medewerker ontkent glashard dat ik mijn echtscheidingsakte had moeten meenemen maar dat ik de akte van inschrijving van de rechterlijke uitspraak van mijn echtscheiding bij me had moeten hebben.

Na alles wat er bij Burgerzaken de afgelopen weken was voorgevallen (inclusief zeer vreemd gedrag van een medewerkster toen mijn partner en ik op 9 februari 2004 een uitnodigingsbrief en garantstelling wilden laten legaliseren – zie verderop in dit schrijven), werd ik nu echt kwaad en ik vertelde de medewerkster dat zij wel van alles kon beweren, maar dat het niet de eerste keer was dat de ene ambtenaar van Burgerzaken iets zegt en dat dan later een andere ambtenaar met een heel ander verhaal komt. Ik vertelde haar ook dat ik exact aan documenten bij me had wat zwart op wit werd geëist en dat ze, als ze het niet geloofde, maar even contact moest opnemen met haar collega Molleman.

Maar vreemd genoeg weigerde ze zelfs ook maar te luisteren. Ze trok een nog zuurder gezicht dan ze bij onze binnenkomst al had opgezet en met opmerkingen als "Ja ja, dat zal wel" wimpelde ze mijn pogingen tot communicatie weg.

Het meningsverschil tussen de medewerkster en mij bleef niet onopgemerkt, want er kwam opeens een andere medewerkster het vertrek binnen, die kennelijk dacht dat hier sprake was van verbaal geweld. Een groet kon er bij haar niet van af (dus dat deed ik dan maar zelf, waarna er pas bij haar ook een zuinig groetje vanaf kon) en aan de minachtende manier waarop ze ons (althans mij) aankeek en vervolgens behandelde, was al af te lezen dat ze, zonder van de hoed en de rand te weten, al bij voorbaat partij voor haar collega had gekozen. Van het feestelijke gevoel dat we hier aan de voorbereidingen van ons voorgenomen huwelijk bezig waren, was inmiddels niets overgebleven.

Uit het moeizame gesprek dat met de laatst binnengekomen mevrouw volgde, bleek tot mijn grote verbazing dat ik de akte van inschrijving van de rechterlijke uitspraak van mijn echtscheiding ook mocht laten zien op de dag dat we in ondertrouw zouden gaan! (Hier dus ook alweer een geval van de ene ambtenaar zegt dit en de andere zegt dat)

Ik blijf het overigens vreemd vinden dat geen genoegen wordt genomen met de akte van echtscheiding zelf. Bij Burgerzaken ligt voor het publiek de door het ministerie van Justitie uitgegeven brochure "Trouwen, geregistreerd partnerschap en samenwonen" waarin op bladzijde 6 onder "Aangifte" duidelijk staat vermeld dat bij het aangaan van een samenlevingsvorm een bewijs van beëindiging van een vorig huwelijk moet worden overlegd. Me dunkt dat de akte van echtscheiding een duidelijk bewijs vormt.

Even terzijde:
Kort geleden (op dinsdag 27 juli 2004 om 10.15 uur) met Burgerzaken gebeld om eindelijk een afspraak te maken voor onze huwelijksaangifte. Nadat ik gevraagd had welke papieren we moesten meenemen en ik de vraag "Bent u eerder getrouwd geweest?" met "Ja" had bevestigd, zei de mevrouw aan de andere kant van de lijn luid en duidelijk: "Dan moet u ook de akte van echtscheiding meenemen."

Daarna werd overgegaan tot het invullen van het M-46 formulier. Wij kregen een aantal aan elkaar geniete gefotokopieerde velletjes voor onze neus, waarbij ik al snel zag dat de nummering van de vragen niet op elkaar aansloot. En inderdaad bleek dat er een vel tussen zat dat er niet tussen hoorde. De later binnengekomen ambtenarenmevrouw trok het "formulier" onder mijn handen vandaan toen ik er een opmerking over maakte en scheurde het bewuste vel er snel uit. Daarna schoof ze de papieren weer naar me toe met een blik van "En nu invullen"

De andere medewerkster van Burgerzaken had inmiddels mijn akte van echtscheiding ter hand genomen en zat geïnteresseerd te lezen in het daarbij gevoegde echtscheidingsconvenant. Ik vond dat hondsbrutaal van haar, want ze had eerder onverbloemd laten weten dat ik die akte niet had moeten meenemen. Maar ik wilde de stemming niet verder verslechteren door daar een opmerking over te plaatsen, want die mevrouwen hebben toch een zekere machtspositie en ik achtte ze best in staat om de boel de boel te laten waarna het sluiten van ons voorgenomen huwelijk nog meer vertraging zou oplopen.

Nadat mijn Thaise partner "haar" deel van het M-46 formulier had ingevuld en ondertekend, moest ik van de later binnengekomen mevrouw nog "mijn" deel invullen en ondertekenen. "Mijn" deel begon met "Familienaam vreemdeling 2" Toen ik daar een opmerking over maakte, was daar weer die blik van "Niet zeuren vent, invullen!" dus ging ik snel aan de slag om de sluiting van ons voorgenomen huwelijk niet in de waagschaal te stellen. Tijdens het invullen kwam ik een vraag tegen waar ik de namen en geboortedata van mijn kinderen moest invullen. Nou heb ik wel een zoon en een dochter, maar die zijn al lang en breed volwassen en uit huis en getrouwd. Ik vroeg dus de moeder-overste of ik die volwassen kinderen daar moest invullen, waarop ze zei "Er staat toch: Kinderen?" op een toon van "Ben je zo stom dat je niet eens weet wat je kinderen zijn?" Dus vulde ik gehoorzaam de gevraagde gegevens van mijn allang volwassen nazaten in. Het achterblad begon echter met een vraag die ook al op de voorzijde stond en dat meldde ik dan ook aan de bitse mevrouw die eerder al een vel had afgescheurd. Ze keek even, vroeg mijn pen, kraste alle verdere vragen en invulruimtes door, plaatste er een notitie op en schoof mij het formulier weer toe ter ondertekening. Op de plaats waar ik van haar mijn handtekening moest zetten, stond echter "Handtekening Vreemdeling 2"

Ik merkte op dat ik geen vreemdeling was en dat ik daarom ook moeilijk mijn handtekening kon zetten. "Dan niet" zei ze pissig en griste het formulier onder mijn handen weg. En nadat ze nog had meegedeeld dat het circa 4 weken zou gaan duren, konden we gaan.

Ik vond haar laatste opmerking over de tijd die het zou gaan duren erg optimistisch, want omdat mijn handtekening op het formulier ontbrak, zou het in mijn visie wel eens tot Sint Juttemis kunnen gaan duren voor we in ondertrouw konden gaan.

Ik heb dezelfde dag nog (30 maart) de heer of mevrouw Molleman per e-mail om opheldering gevraagd en tevens summier beschreven wat die dag tijdens ons bezoek aan Burgerzaken was voorgevallen. Een antwoord heb ik echter nooit ontvangen.

Hoewel het wel erg provisorische M-46 formulier door mij dus niet was ondertekend en ik ook menige vraag niet had beantwoord, viel er tot mijn verrassing toch ruim een week later, op 8 april 2004, een aan het "Geacht bruidspaar" gericht briefje van Burgerzaken in de bus waarin staat vermeld dat de papieren van de dienst Vreemdelingenpolitie zijn terugontvangen en dat wij nu een afspraak kunnen maken voor de huwelijksaangifte.
Ik vind dat vreemd. De vreemdelingenpolitie gaat met ons huwelijk akkoord terwijl mijn rechtsgeldige handtekening op het M-46 formulier ontbreekt en ook diverse kennelijk noodzakelijke vragen onbeantwoord zijn gebleven. Hoe kan dat? Heeft iemand zonder mijn medeweten en zonder mijn toestemming dat M-46 formulier dan ondertekend? En zo ja, wie?

Met wie wij op 30 maart 2004 het genoegen hebben gehad, weet ik niet. Maar dat kan simpel worden achterhaald, want zoals hierboven al aangegeven heeft een van de mevrouwen in haar eigen handschrift aantekeningen gemaakt op de inmiddels door Burgerzaken van de Vreemdelingendienst terugontvangen papieren.

Terug

1