Promovendus Henk de Haan: 'Erfrecht speelt ondergeschikte rol'
Familietraditie houdt Twentse boer op de been
Door ANDRÉ HORLINGS
(24 oktober 1994) ,,Het is verkeerd een boer puur als een ondernemer te
beschouwen. De economie is slechts één van de factoren waardoor het boerenbedrijf
zich laat beïnvloeden. 'Geld verdienen' komt er zelden op de eerste plaats. De regionale
betrokkenheid schept een eigen dynamiek met eigen spelregels, die invloed hebben op
het erfrecht. In sommige delen van het land, zoals op de zandgronden van Twente en
de Achterhoek, staat het instandhouden van het bedrijf op de eerste plaats, waardoor
kinderen vaak genoegen nemen met een veel kleiner aandeel van de erfenis dan
waarop ze wettelijk recht hebben. In andere, zoals in Brabant, geldt het principe dat alle
kinderen gelijk zijn, wat daar leidde tot een steeds verdere verdeling van het
grondgebied. Als gevolg daarvan zijn in Twente en de Achterhoek relatief grote
boerenbedrijven in stand gebleven, terwijl de opkomst van de intensieve veehouderij in
Brabant een gevolg was van het feit dat men de kleine stukken overgebleven grond zo
rendabel mogelijk tracht te exploiteren.''
Dat zegt dr. Henk de Haan uit Wageningen, die vorige week cum laude promoveerde
op een proefschrift over verwantschap, eigendom en vererving bij boerenfamilies in de
periode 1830-1980. Twee belangrijke ontwikkelingen in die tijd leidden tot ingrijpende
veranderingen. Rond de eeuwwisseling was het erfrecht volop in discussie, wat in veel
gevallen leidde tot een 'eerlijker' verdeling van de nalatenschap; na de Tweede
Wereldoorlog ging de aandacht uit naar de economische levensvatbaarheid, en
verdween de rol van familie en verwanten naar de achtergrond. Twente en de
Achterhoek vormden daarop een uitzondering, zo was hem overigens gebleken. ,,In het
boerenbedrijf daar golden rond 1980 nog steeds dezelfde principes die in het midden van
de 19e eeuw werden gehanteerd.''
Saksisch erfrecht
'In the shadow of the tree' (In de schaduw van de boom) is de titel van het engelstalige
boek, waarvan een handelseditie is verschenen bij uitgeverij 'Het Spinhuis' in
Amsterdam. ,,Daarmee geef ik de symboliek van het onderwerp aan'', verklaart De
Haan. ,,De boom moet je zien als het gezinsverband, dat zich in de loop van de tijd
voortzet in allerlei vertakkingen. De schaduw van die boom valt op de grond; het is de
invloed van het gezinsverband op de landbouw.''
De Twents-Achterhoekse traditie stoelt volgens De Haan op het Saksisch erfrecht.
,,Daarin geldt het principe dat het nageslacht niet af mag breken wat door voorouders is
opgezet. Daarom wordt het boerenbedrijf bij overlijden niet verdeeld in steeds kleinere
en uiteindelijk onhanteerbare stukken. Er wordt een 'stamhouder' benoemd, die het
bedrijf voortzet wanneer de eigenaar overlijdt of ermee op moet houden. Dat is meestal
één van de zonen, of een schoonzoon als er alleen dochters zijn. Hij heeft bovendien de
plicht voor ouders en andere inwonende familieleden te zorgen. Dat konden er in het
verleden nogal wat zijn: kinderen die nog thuiswoonden; ooms en tantes; het eigen
gezin. De andere broers en zusters deden afstand van hun aanspraken op het ouderlijk
bedrijf. Ze kregen een kleine uitkering wanneer ze het huis verlieten.''
Aan het eind van de vorige eeuw kwam het erfrecht volop in discussie. In wetten werd
vastgelegd dat een nalatenschap eerlijk onder de erfgenamen diende te worden
verdeeld. Om 'onterving' te voorkomen werd bepaald dat een kind minimaal recht had
op een 'legitieme portie'. ,,Verwacht werd dat dit op den duur zou leiden tot de
ondergang van de boerenstand'', zegt De Haan. ,,Wanneer je een boerenbedrijf onder
stel acht kinderen moet verdelen, dan blijft er weinig van over. In een groot deel van het
land was dat de consequentie, maar in Twente bleef de oude structuur gehandhaafd.
Het principe van de 'ongedeelde hoeve' bleef er overeind staan.''
Volgens De Haan, universitair docent bij de vakgroep sociologie aan de
Landbouwuniversiteit, was dat een gevolg van het feit dat op de zandgronden in
Oost-Nederland aan het instandhouden van de familietraditie een hogere waarde wordt
toegekend dan aan het erfrecht. ,,Het is uiteraard mogelijk dat iemand zich beroept op
het erfrecht en zijn wettelijke portie opeist, maar dat wordt beschouwd als een inbreuk
op de eenheid van de familie. Zo iemand sluit zich buiten. Bovendien is er het 'toezicht'
van de dorpsgemeenschap, die erover waakt dat erfgoed in stand wordt gehouden.''
Het riekt naar een dictatuur van sociale controle. Maar De Haan oordeelt er aanzienlijk
milder over. ,,Het is een cultuurpatroon dat al eeuwen bestaat, en dat zijn waarde heeft
bewezen. Voor de meeste betrokkenen is die gang van zaken een vanzelfsprekendheid.
Wanneer dwang niet als dwang wordt ervaren, dan is er niets aan de hand. In veel
erfrechtkwesties staat het instandhouden van familiebezit trouwens centraal. Denk aan
die kast van oma, die niet in de huiskamer past. Die ga je niet verkopen; die zet je dan
maar op zolder neer. Want het is een erfstuk, en dat moet 'in de familie' blijven.
Misschien kunnen de kinderen hem later beter gebruiken.''
Ook elders in Europa
De situatie in Twente en de Achterhoek is volgens De Haan uniek voor Nederland.
,,Maar in Ierland, Zuid-Duitsland, het Pyreneeëngebied van Frankrijk en in delen van
Spanje worden dezelfde principes gehanteerd, omdat beseft wordt dat 'gelijke
behandeling' onvermijdelijk leidt tot de ondergang van het bedrijf.''
Elders in Europa gelden uiteenlopende regels, die zeer gevarieerde consequenties
blijken te hebben. ,,In Italië en Griekenland bijvoorbeeld is het boerenbedrijf door het
opsplitsen van grond vaak onrendabel geworden. Maar de mensen waren zo aan die
grond gehecht, dat ze er bleven wonen. Daardoor ontstond een arbeidsoverschot.
Industrieën ontdekten dat ze gebruik konden maken van goedkope arbeidskrachten en
vestigden er fabrieken. Zo zijn er levendige lokale economieën ontstaan, waarin
fabriekswerk en boerenarbeid elkaar aanvullen. Maar in het noorden van Frankrijk
leidde dezelfde ontwikkeling tot ontvolking van het platteland en omvangrijke, sterk van
elkaar geïsoleerde bedrijven. In het noorden van Portugal trokken de boeren ook weg
van hun onrendabele bedrijven. Zij werden gastarbeiders, elders in Europa, maar ze
hielden hun grond aan, als appeltje voor de dorst. Als gevolg is dat van landhervorming
niets terechtgekomen. Voor de keuterboeren die achterbleven rest een armzalig
bestaan.''
Hoewel De Haan zich in zijn proefschrift niet bezig heeft gehouden met de
ontwikkelingen van de afgelopen tijd, veronderstelt hij dat de Twentse traditie nog lang
bestand zal blijken tegen de 'individualisering' van de maatschappij, waarin erfgenamen
een beroep doen op hun 'rechten'. ,,Vroeger waren er grote gezinnen. Nu moeten twee
of drie kinderen het samen over de erfenis eens worden; die komen er meestal wel uit.
Het gaat niet simpel om geld, maar om 'cultureel kapitaal'. Een boer doet zijn werk
meestal niet in de eerste plaats om een inkomen te verwerven. Daar heeft-ie weinig
grip op; dat wordt beïnvloed door het weer, de markt, de regering en door de regels die
in Brussel worden vastgesteld. Voor hem staat de zelfstandigheid voorop, plus het besef
dat-ie bouwt aan de toekomst van zijn eigen kinderen. Het is een investering in
familie-relaties. En kennelijk met succes, want het opvolgingspercentage in het
boerenbedrijf op de zandgronden in Twente ligt naar verhouding bijzonder hoog. Tot de
sociologische wetenschap dring meer en meer het besef dat modernisering niet
betekent dat tegelijk ook maar afstand moet worden genomen van het verleden.
Traditionele opvattingen kunnen van grote betekenis blijken.''