Als we spreken over karpers, moeten we wel twee zaken van elkaar onderscheiden: de karper zoals die in de wilde staat uit Azie afkomstig is en de daarvan afgeleide, door de mens gekweekte karper. 

De wilde- of boerenkarper

De wilde karper (ook wel genoemd boerenkarper) heeft een slank, op snelheid gebouwd, torpedo-vormig lichaam, dat volledig is geschubd. De betrekkelijk kleine kop loopt, of in een vloeiende lijn of met een vaak erg  kenmerkende verdikking over in een lage, veelal kaarsrechte rug.
De kleur is donkerbrons op de rug en wat lichter op de flanken, terwijl de buik geelachtig wit is. Typerend is de kleur van de rug en de flanken in het zonlicht. Op de rug is dan vaak een staalblauwe gloed waarneembaar en op de flanken onstaat een geel-koperen weerschijn. De lippen, anaalvin, borst- en buikvinnen en de grote, diepe V-vormige staart zijn meestal licht oranje.
Een niet onbelangrijk kenmerk is het stevige en gespierde aanvoelen van de boerenkarper; dit in tegenstelling tot de kweekkarpers, die vaak zacht en week van huid zijn. Tenslotte zijn deze wilde vissen 'licht' in gewicht. Bij een lengte  van een centimeter of zeventig halen ze negen a tien pond, terwijl kweekkarpers bij dezelfde lengte meestal rond de vijftien pond schommelen, maar vaak nog beduidend zwaarder worden.    

1