![]() |
Clarens (Vaud), Zwitserland
29 Junie 1904.
Waarde Generaal, Het is mij een groot voorrecht de ontvangst te kunnen erkennen van Uw kabelgram van de 25e Mei en Uw brief van 29e dieselfde maand, waardoor mij de groet wordt overgebracht van het Kongres van 23-25 Mei te Pretoria gehouden. Bij alle treurigheid en leed, die mijn lot zijn, stemmen mij deze groet tot dankbaarheid. En van ganser harte dank ik U allen, die, te zamen gekomen om te beraadslagen over het heden en de toekomst, gedacht hebben aan hun ouden Staats-president en daardoor getoond hebben het verledene niet te hebben vergeten. Want wie zich een toekomst scheppen wil, mag het verledene niet uit het oog verliezen. Daarom: zoekt in het verledene al het goede en schone, dat daarin te ontdekken valt, vormt daarnaar Uw ideaal en beproeft voor de toekomst dat ideaal te verwezenliken. Het is waar, veel van wat was opgebouwd is tans vernietigd, vernield, gevallen. Doch met eenheid van zin en eenheid van krachten, kan weer worden opgericht wat thans daarneder ligt. Het stemt mij eveneens tot dankbaarheid, te zien dat die eenheid, die eendracht bij u regeren. Vergeet nooit de ernstige waarschuwing, die ligt in het woord: "verdeel en heers", en maak dat dit woord op het Afrikaanse volk nooit van toepassing zal kunnen zijn. Dan zullen onze nationaliteit en onze taal blijven en bloeien. Wat ik zelf nog daarvan zien of beleven zal, ligt in Gods Hand. Geboren onder Engelse vlag, sal ik niet daaronder te sterven. Ik heb geleerd te berusten bij de bittere gedachte de ogen te zullen sluiten in de vreemde als een balling, bijna geheel alleen, ver van bloedverwanten en vrienden, die ik waarschijnlijk nooit zal wederzien; ver van de Afrikaanse grond die ik wellicht nooit weer betreden zal; ver van het land waaraan ik mijn leven gewijd heb, om het te openen voor de beschaving en waar ik een eigen natie zag ontwikkelen. Maar die bitterheid zal worden verzacht, zoolang ik de overtuiging mag blijven koesteren, dat het eenmaal aangevangen werk wordt voortgezet. Want dan houden mij staande de hoop en de verwachting dat het einde van dat werk goed zal wezen. Zoo zij het. Uit de diepte van mijn hart groet ik u en het ganse volk. S.J.P. Kruger.
|