vertaald door Michiel Meeuwissen
(M.Meeuwissen@stud.warande.ruu.nl),
met behulp van de vertalingen van Nini Brunt, F. Oomes en Ruth Wolf (en het
orgineel natuurlijk).
Voor de wet staat een deurwachter. Een man van het platteland
komt naar deze deurwachter en vraagt om tot de wet te worden binnengelaten.
Maar de deurwachter zegt, dat hij hem nu niet kan toestaan naar binnen te
gaan. De man denkt er over na en vraagt dan, of hij later zal mogen
binnengaan. "Dat is mogelijk", zegt de deurwachter, "maar nu niet." Omdat de
deur tot de wet zoals altijd openstaat en de deurwachter opzij stapt, bukt
de man zich om door de deur naar binnen te kijken. De deurwachter merkt het,
lacht en zegt: "Als het je zo trekt, waarom probeer je dan niet toch naar
binnen te gaan, ondanks mijn verbod. Maar vergeet niet: Ik ben machtig. En
ik ben alleen nog maar de laagste deurwachter. Er staan echter van zaal tot
zaal deurwachters, de een nog machtiger dan de ander. De aanblik van de
derde kan ik zelfs niet meer verdragen. Zulke moeilijkheden had de man van
het platteland niet verwacht; de wet zou toch voor iedereen en altijd
toegankelijk moeten zijn, denkt hij, maar als hij de deurwachter met zijn
pelsjas beter bekijkt, zijn grote, spitse neus, de lange, dunne, zwarte,
tataarse baard, besluit hij toch maar liever te wachten tot hij toestemming
krijgt om naar binnen te gaan. De deurwachter geeft hem een krukje en laat
hem naast de deur zitten. Daar zit hij dagen en jaren. Hij probeert vaak
binnengelaten te worden, en vermoeit de deurwachter met zijn gevraag. De
deurwachter verhoort hem vaak een beetje, ondervraagt hem over zijn thuis en
over allerlei andere dingen, maar het zijn ongeïnteresseerde vragen
zoals deftige heren ze stellen, en tot slot zegt hij telkens weer, dat hij
hem nu nog niet kan binnenlaten. De man, die van alles had meegenomen voor
de reis, gebruikt alles, hoe duur het ook is, om de deurwachter om te kopen.
Deze neemt welliswaar alles aan, maar zegt erbij: "Ik neem het alleen maar
aan om je niet het gevoel te geven dat je iets hebt nagelaten". In al die
jaren bekijkt de man de deurwachter bijna constant. Hij vergeet de andere
deurwachters, en deze eerste lijkt hem het enige obstakel om de wet binnen
te kunnen gaan. Hij vervloekt het ongelukkige toeval, in de eerste jaren luid
en lomp, later, als hij oud wordt, bromt hij alleen nog maar wat. Hij word
kinds, en omdat hij in de jarenlange studie van de deurwachter ook de
vlooien in zijn pelskraag heeft leren kennen, vraagt hij ook de vlooien om
hem te helpen de deurwachter van gedachten te doen veranderen. Tenslotte
verzwakt het licht in zijn ogen, en weet hij niet meer, of het om hem heen
nu werkelijk donkerder wordt, of dat zijn ogen hem bedriegen. Wel
onderscheidt hij nu in het donker een glans, die onhoudbaar uit de deur van
de wet stroomt. Hij heeft nu niet lang meer te leven. Voordat hij dood gaat
verzamelen alle ervaringen van de hele tijd zich in zijn hoofd tot een
vraag, die hij tot nu toe nog niet aan de deurwachter gesteld heeft. Hij
wenkt hem, want hij kan zijn verstijvend lichaam niet meer oprichten. De
deurwachter moet zich diep bukken, want het grootteverschil is zeer ten
ongunste van de man veranderd. "Wat wil je dan nu nog weten?" vraagt de
deurwachter, "je bent onverzadigbaar." "Iedereen streeft toch naar de wet",
zegt de man,"hoe komt het dan dat in al die jaren niemand behalve ik heeft
gevraagd om naar binnen te mogen gaan?" De deurwachter ziet wel dat de man
bijna dood is, en om zijn wegebbend gehoor nog te kunnen bereiken schreeuwt
hij: "Niemand anders kon hier naar binnen gaan, want deze ingang was alleen
voor jou bestemd. Ik ga nu weg, en sluit hem".
Naar m'n home page